Parsjat Eekew in een Notendop

De naam van de parasja “Eekew” betekent “omdat” en is te vinden in Deuteronomium 7:12.
In de Parsje van Eekew (“Omdat”), vervolgt Mosje zijn afsluitende toespraak tot de kinderen van Israël, en belooft hen dat als zij de geboden (mitswot) van de Tora zullen vervullen, zij voorspoed zullen kennen in het Land dat zij op het punt staan te veroveren en te vestigen, in overeenstemming met G-ds belofte aan hun voorvaderen.
Mosje berispt hen ook voor hun tekortkomingen in hun eerste generatie als een volk, herinnerend aan hun aanbidding van het Gouden Kalf, de opstand van Korach, de zonde van de verspieders, hun boosheid op G-d bij Taveirah, Massah en Kivrot Hataavah (“De Graven van Lust”). “Jullie zijn opstandig geweest tegen G-d,” zegt hij tegen hen, “sinds de dag dat ik jullie kende.” Maar hij spreekt ook over G-ds vergeving van hun zonden, en de Tweede Stenen Tafelen die G-d heeft gegraveerd en aan hen heeft gegeven na hun berouw.
Hun veertig jaar in de woestijn, zegt Mosje tot het volk, gedurende welke G-d hen onderhield met dagelijks manna uit de hemel, was om hen te leren “dat de mens niet leeft van brood alleen, maar dat de mens leeft door het woord van G-ds mond.”
Mosje beschrijft het land dat zij op het punt staan binnen te gaan als “vloeiende van melk en honing,” gezegend met de “zeven soorten” (tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen, granaatappels, olijfolie en dadels), en als de plaats die het middelpunt is van G-ds voorzienigheid over Zijn wereld. Hij beveelt hen de afgoden van de vroegere meesters van het land te vernietigen, en op te passen dat zij niet hoogmoedig worden en gaan geloven dat “mijn macht en de kracht van mijn hand mij deze rijkdom hebben gebracht”.
Een belangrijke passage in onze Parsje is het tweede hoofdstuk van de Sjema, dat de fundamentele mitswot herhaalt die in het eerste hoofdstuk van de Sjema worden opgesomd, en de beloningen beschrijft van het vervullen van G-ds geboden en de negatieve resultaten (hongersnood en ballingschap) van hun verwaarlozing. Het is ook de bron van het gebedsvoorschrift, en bevat een verwijzing naar de opstanding van de doden in het messiaanse tijdperk.
Vrij vertaald van chabad.org.
