Lezen en belevenParsjaParsjat Lech Lecha in een Notendop

Parsjat Lech Lecha in een Notendop

De naam van de parasja “Lech Lecha” betekent “Ga op weg” en is te vinden in Genesis 12:1.

G-d spreekt tot Abram en beveelt hem: “Ga uit uw land, uit uw geboorteplaats en uit het huis van uw vader, naar het land dat ik u zal wijzen.” Daar, zegt G-d, zal hij tot een groot volk gemaakt worden. Abram en zijn vrouw Sarai, vergezeld van zijn neef Lot, reizen naar het land Kanaän, waar Abram een altaar bouwt en de boodschap van de enige G-d verder verspreidt.

Een hongersnood dwingt de eerste Jood te vertrekken naar Egypte, waar de mooie Sarai wordt meegenomen naar het paleis van de Farao; Abram ontsnapt aan de dood omdat zij zich voordoen als broer en zus. Een plaag voorkomt dat de Egyptische koning haar aanraakt, en overtuigt hem om haar aan Abram terug te geven en de broer-als-echtgenoot te compenseren met goud, zilver en vee.

Terug in het land Kanaän scheidt Lot zich af van Abram en vestigt zich in de slechte stad Sodom, waar hij gevangen wordt genomen wanneer de machtige legers van Kedarlaomer en zijn drie bondgenoten de vijf steden van de Sodom-vallei veroveren. Abram trekt er met een kleine bende op uit om zijn neef te redden, verslaat de vier koningen en wordt gezegend door Malki-Zedek, de koning van Salem (Jeruzalem).

G-d bezegelt het ‘Verbond tussen de Delen’ met Abram, waarin de ballingschap en vervolging (galoet) van het volk Israël wordt voorspeld, en het Heilige Land aan hen wordt nagelaten als hun eeuwige erfenis.

Tien jaar na hun aankomst in het land is Sarai nog steeds kinderloos en zegt ze Abram te trouwen met haar dienstmaagd Hagar. Hagar wordt zwanger, wordt brutaal tegen haar meesteres en vlucht wanneer Sarai haar hardhandig behandelt; een engel overtuigt haar om terug te keren en vertelt haar dat haar zoon een dichtbevolkt volk zal voortbrengen. Ismaël wordt geboren in Abrams zesentachtigste jaar.

Dertien jaar later verandert G-d Abrams naam in Abraham (“vader van menigten”), en die van Sarai in Sarah (“prinses”), en belooft dat hun een zoon zal worden geboren; uit dit kind, dat zij Isaak (“zal lachen”) moeten noemen, zal het grote volk voortkomen waarmee G-d Zijn bijzondere band zal aanknopen. Abraham wordt bevolen zichzelf en zijn nakomelingen te besnijden als “teken van het verbond tussen Mij en u”. Abraham voldoet onmiddellijk en besnijdt zichzelf en alle mannen van zijn gezin.

Vrij vertaald van chabad.org.