Lezen en belevenParsjaParsjat Wajeetsee in een Notendop

Parsjat Wajeetsee in een Notendop

De naam van de parasja “Wajeetsee” betekent “En hij vertrok” en is te vinden in Genesis 28:10.

Jakob verlaat zijn woonplaats Beersheba en reist naar Charan. Onderweg komt hij “de plaats” tegen en slaapt daar, dromend van een ladder die hemel en aarde verbindt, met engelen die erop klimmen en afdalen; G-d verschijnt en belooft dat het land waarop hij ligt aan zijn nakomelingen zal worden gegeven. In de ochtend heft Jakob de steen waarop hij zijn hoofd heeft gelegd op als altaar en monument, met de belofte dat het tot het huis van G-d zal worden gemaakt.

In Charan verblijft Jacob bij zijn oom Laban en werkt hij voor diens schapen. Laban stemt ermee in om hem zijn jongere dochter Rachel, van wie Jacob houdt, ten huwelijk te geven, in ruil voor zeven jaar arbeid. Maar in de huwelijksnacht geeft Laban hem zijn oudste dochter, Leah, in de plaats – een bedrog dat Jacob pas in de ochtend ontdekt. Jacob trouwt een week later ook met Rachel, nadat hij ermee heeft ingestemd nog eens zeven jaar voor Laban te werken.

Leah baart zes zonen – Reuben, Sjimon, Levi, Jehoeda, Jissachar en Zewoeloen – en een dochter – Dina – terwijl Rachel onvruchtbaar blijft. Rachel geeft Jakob haar dienstmaagd, Bilha, als vrouw om in haar plaats kinderen te baren, en er worden nog twee zonen geboren, Dan en Naftali. Lea doet hetzelfde met haar dienstmaagd, Zilpa, die Gad en Asjer baart. Tenslotte worden Rachels gebeden verhoord en bevalt zij van Jossef.

Jakob is nu 14 jaar in Charan, en wil terug naar huis. Maar Laban haalt hem over om te blijven en biedt hem nu schapen aan in ruil voor zijn arbeid. Jakob floreert, ondanks Labans herhaalde pogingen om hem op te lichten. Na zes jaar verlaat Jakob Charan in het geheim, uit angst dat Laban hem zou verhinderen te vertrekken met het gezin en de bezittingen waarvoor hij werkte. Laban achtervolgt Jakob, maar wordt door G-d in een droom gewaarschuwd hem geen kwaad te doen. Laban en Jacob sluiten een pact op de berg Gal-Ed, waarvan een stapel stenen getuigt, en Jakob vertrekt naar het Heilige Land, waar hij wordt opgewacht door engelen.

Vrij vertaald van chabad.org.