Parsjat Wajechie in een Notendop

De naam van de parasja “Wajechie” betekent “En hij leefde” en is te vinden in Genesis 47:28.
Ja’acov leeft de laatste 17 jaar van zijn leven in Egypte. Voordat hij overlijdt, vraagt hij Jozef een eed af te leggen dat hij hem in het Heilige Land zal begraven. Hij zegent Jozefs twee zonen, Manasje en Efraïm, en verheft hen tot de status van zijn eigen zonen als stamvaders van het volk Israël.
De aartsvader wil het einde der dagen aan zijn kinderen openbaren, maar dat wordt verhinderd.
Ja’acov zegent zijn zonen en wijst elk zijn rol als stam toe: Juda zal leiders, wetgevers en koningen voortbrengen; priesters zullen komen uit Levi, geleerden uit Issachar, zeevaarders uit Zebulon, schoolmeesters uit Simeon, soldaten uit Gad, rechters uit Dan, olijvenkwekers uit Aser, enzovoort. Ruben wordt berispt omdat hij “het huwelijksbed van zijn vader in de war heeft gebracht”; Evenals Simeon en Levi, vanwege het bloedbad in Sichem en het complot tegen Jozef. Nafthali krijgt de snelheid van een hert, Benjamin de woestheid van een wolf, en Jozef wordt gezegend met schoonheid en vruchtbaarheid.
Een grote begrafenisstoet bestaande uit Ja’acovs nakomelingen, Farao’s ministers, de belangrijkste burgers van Egypte en de Egyptische cavalerie vergezelt Ja’acov op zijn laatste reis naar het Heilige Land, waar hij wordt begraven in de Machpelah-grot in Hebron.
Ook Jozef sterft in Egypte, op 110-jarige leeftijd. Ook hij geeft opdracht om zijn gebeente uit Egypte te halen en in het Heilige Land te begraven, maar dit zou pas gebeuren bij de uittocht van het joodse volk uit Egypte vele jaren later. Voordat hij overlijdt, overhandigt Jozef aan de kinderen van Israël het testament waaruit zij in de komende moeilijke jaren hun hoop en geloof zullen putten: “G-d zal u zeker gedenken en u uit dit land voeren naar het land dat Hij aan Avraham, Jitschak en Ja’acov heeft gezworen.”
Vrij vertaald van chabad.org.
