Lezen en belevenParsjaParsjat Wa’eera in een Notendop

Parsjat Wa’eera in een Notendop

De naam van de parasja “Wa’eera” betekent “en Ik verscheen” en is te vinden in Exodus 6:3.

G-d openbaart Zichzelf aan Mosje. Met behulp van de “vier uitdrukkingen van verlossing” haalt Hij het joodse volk uit Egypte, haalt Hij hen uit hun slavernij, verlost hen en verwerft hen als Zijn eigen uitverkoren volk bij “de berg Sinaï”; daarna zal Hij hen brengen naar het land dat Hij aan de aartsvaders beloofde als hun eeuwige erfenis.

Mosje en Aäron komen herhaaldelijk voor de Farao om in de naam van G-d te eisen: “Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij in de woestijn kunnen dienen.” De Farao weigert herhaaldelijk. De staf van Aaron verandert in een slang en slikt de toverstokjes van de Egyptische tovenaars in. Dan zendt G-d een reeks plagen over de Egyptenaren.

Het water van de Nijl verandert in bloed; zwermen kikkers overspoelen het land; luizen teisteren alle mensen en dieren. Hordes wilde dieren vallen de steden binnen; een plaag doodt de huisdieren; pijnlijke steenpuisten teisteren de Egyptenaren. Bij de zevende plaag komen vuur en ijs samen als een verwoestende hagelbui uit de hemel. Toch was “het hart van Farao verhard en hij wilde de kinderen van Israël niet laten gaan, zoals G-d tegen Mosje had gezegd.”

Vrij vertaald van chabad.org.