Parsjat Bo in een Notendop

De naam van de parasja “Bo” betekent “Kom [naar de farao]” en is te vinden in Exodus 10:1.
De laatste drie van de tien plagen komen over Egypte: een zwerm sprinkhanen verslindt alle gewassen en groen; een dikke, tastbare duisternis omhult het land en alle eerstgeborenen van Egypte worden gedood om middernacht van de 15e van de maand Nissan.
G-d beveelt de eerste mitswa die aan het volk van Israël gegeven wordt: het opstellen van een kalender gebaseerd op de maandelijkse cyclus van de maan. Het Joodse volk krijgt ook de opdracht om een “Pesach-offer” naar G-d te brengen: een lam of een geitje moet worden geslacht en zijn bloed moet op de deurposten en bovendorpels van elk Joods huis worden besprenkeld, zodat G-d deze huizen zou overslaan als Hij de Egyptische eerstgeborene gaat doden. Het geroosterde vlees van het offer moet die nacht gegeten worden samen met matsa (ongezuurd brood) en bittere kruiden.
De dood van de eerstgeborene breekt eindelijk het verzet van Farao, en hij drijft letterlijk de Joden uit zijn land. Ze vertrekken zo haastig dat er geen tijd is voor hun deeg om te rijzen, en de enige broden die ze meenemen zijn ongezuurd. Voordat ze gaan, vragen ze hun Egyptische buren om goud, zilver en kleding – waarmee ze de belofte aan Abraham nakomen dat zijn nakomelingen Egypte met grote rijkdom zouden verlaten.
Het Joodse volk wordt opgedragen om alle eerstgeborenen te wijden aan G-d, en de verjaardag van de Uittocht ieder jaar te na te leven door al het gist zeven dagen uit hun bezit te verwijderen, matsa te eten en het verhaal van hun verlossing aan hun kinderen te vertellen. Zij worden ook opgedragen om tefillin op de arm en het hoofd te dragen als herinnering aan de Uittocht en aan hun daaruit voortvloeiende toewijding aan G-d.
Vrij vertaald van chabad.org.
