Lezen en belevenParsjaParsjat Sjemini in een Notendop

Parsjat Sjemini in een Notendop

De naam van de parasja “Sjemini” betekent “achtste” en is te vinden in Leviticus 9:1.

Op de achtste dag, na de zeven dagen van hun inwijding, beginnen Aharon en zijn zonen als kohaniem (priesters) te fungeren; een vuur gaat van G-d uit om de offers op het altaar te verteren, en de G-ddelijke aanwezigheid komt in het Heiligdom wonen.

De twee oudste zonen van Aharon, Nadaw en Awiehoe, offeren een “vreemd vuur voor G-d, dat Hij hun niet geboden heeft” en sterven voor G-d. Aharon zwijgt over zijn tragedie. Mozes en Aharon zijn het vervolgens oneens over een punt van de wet betreffende de offers, maar Mozes geeft Aharon toe dat Aaron gelijk heeft.

G-d gebiedt de kosjere wetten, waarbij de diersoorten worden aangewezen die wel en niet voor consumptie zijn toegestaan. Landdieren mogen alleen gegeten worden als zij gespleten hoeven hebben en ook herkauwen; vissen moeten vinnen en schubben hebben; een lijst van niet-kosjere vogels wordt gegeven, en een lijst van kosjere insecten (vier soorten sprinkhanen).

In parsjat Sjemini staan ook enkele van de wetten van de rituele reinheid, waaronder de reinigende kracht van het mikwa (een poel met water dat aan bepaalde kwalificaties voldoet) en de bron. Zo wordt het joodse volk opgedragen “onderscheid te maken tussen het onreine en het reine”.

Vrij vertaald van chabad.org.