Parsjat Sjelach in een Notendop

De naam van de parasja “Sjelach” betekent “Zend” en is te vinden in Numeri 13:2.
Mozes stuurt twaalf verspieders naar het land Kanaän. Veertig dagen later keren zij terug met een grote tros druiven, een granaatappel en een vijg, om verslag uit te brengen over een weelderig en overvloedig land. Maar tien van de verspieders waarschuwen dat de inwoners van het land reuzen zijn en krijgers “machtiger dan wij”; alleen Kaleb en Jehoesjoe’a houden vol dat het land veroverd kan worden, zoals G-d bevolen heeft.
Het volk weent dat ze liever terugkeren naar Egypte. G-d verordent dat de intocht van het joodse volk in het land veertig jaar zal worden uitgesteld, gedurende welke tijd die hele generatie in de woestijn zal omkomen. Een groep berouwvolle Joden bestormt de berg aan de grens van het land, en wordt verslagen door de Amalekieten en Kanaänieten.
De wetten van de nesachiem (maaltijd-, wijn- en olieoffers) worden gegeven, evenals de mitswa om een deel van het deeg (challah) aan G-d te wijden bij het maken van brood. Een man overtreedt de Sjabbat door stokken te verzamelen, en wordt ter dood gebracht. G-d draagt op om franjes (tsietsiet) aan te brengen aan de vier hoeken van onze klederen, opdat wij niet vergeten de mitzvot (G-ddelijke geboden) te vervullen.
Vrij vertaald van chabad.org.
