Lezen en belevenJoodse FeestdagenDe dronkaard van Jom Kipoer

De dronkaard van Jom Kipoer

Wie op de vooravond van Jom Kipoer vroeg in de dorpssynagoge aankwam, kon niet anders dan de man opmerken die in een hoek lag te slapen. Zijn vieze kleren en de sterke geur van alcohol die hem omhulde, getuigen van de oorzaak van zijn slaap op dit vroege uur. Een Jood dronken op de vooravond van de Heilige Dag? Enkele van de aanwezigen stelden zelfs voor om de man uit de synagoge te zetten.

Binnen de kortste keren stroomde de ruimte vol, waardoor de slapende dronkaard gelukkig verborgen bleef voor iedereen behalve degenen die zich in zijn onmiddellijke nabijheid bevonden. Terwijl de zon zich voorbereidde om onder de horizon te verdwijnen, viel er een stilte over de menigte. De Rebbe betrad de sjoel en ging zich naar zijn plaats aan de oostelijke muur. Op een signaal van de Rebbe werd de ark geopend, en de gabbai begon de Tora-rollen voor de Kol Nidree-dienst uit te halen.

Dit was het moment dat de dronkaard koos om uit zijn slaap op te staan, de treden naar de bima in het midden van de ruimte te beklimmen, op de leestafel te slaan en te roepen: “Ne’oem ata horeeta!”, het gebed dat op simchat Tora wordt gezegd. Blijkbaar leek de drukke ruimte, met de Tora-rollen die uit de open ark werden gehaald, door de roes van de dronken man als het begin van de hakafot en het dansen op Simchat Tora! De dronkaard verwisselde het meest plechtige moment van het jaar met het vrolijkste en meest uitbundige feest.

De geshockeerde menigte stond op het punt de man uit de ruimte te zetten, toen de Rebbe zich van de muur omdraaide en zei: “Laat hem maar. Voor hem is het al tijd voor hakafot op simchat Tora. Hij is er al.”

De volgende avond, toen de Rebbe met zijn chassidim zat tijdens de feestmaaltijd die volgde op het vasten, vertelde hij hen het verhaal van Reb Shmuel, de Kol Nidree-dronkaard.

Op de ochtend van de vooravond van de Heilige Dag had Reb Shmuel gehoord van een Jood die samen met zijn vrouw en zes kleine kinderen was gevangen genomen omdat hij de huur van de zaak die hij in pacht had van de plaatselijke edelman niet had betaald. Reb Shmuel ging naar de edelman om te pleiten voor hun vrijlating, maar de edelman wilde er niet van horen. “Totdat ik elke stuiver zie die mij verschuldigd is,” zwoer hij, “blijven de Jood en zijn familie waar ze zijn. Ga nu weg voordat ik mijn honden op je loslaat.”

“Ik kan niet toestaan dat een Joodse familie op Jom Kipoer in een kerker verkommerd,” besloot Reb Shmuel en begon het benodigde bedrag bij elkaar te brengen, vastbesloten om hun vrijlating voor zonsondergang te realiseren.

De hele dag ging hij van deur tot deur. Mensen gaven gul aan een medejood in nood, maar tegen de late namiddag miste Reb Shmuel nog 300 roebel van het vereiste bedrag. Waar zou hij zo’n groot bedrag op dit late uur vinden? Toen passeerde hij een kroeg en zag een groep goed geklede jongemannen zitten en drinken. Er was een kaartspel aan de gang en er was al een aanzienlijke stapel bankbiljetten en gouden en zilveren munten op tafel verzameld.

In eerste instantie aarzelde hij om hen überhaupt aan te spreken: wat kon men verwachten van Joden die de vooravond van de Heilige Dag dronken en gokend in een kroeg doorbrachten? Maar beseffend dat zij zijn enige hoop waren, benaderde hij hun tafel en vertelde hen over de benarde situatie van de gevangengenomen familie.

Ze stonden op het punt hem met lege handen weg te sturen, toen een van hen een vrolijk idee kreeg: zou het niet leuk zijn om een vrome Jood dronken te krijgen voor Jom Kipoer? Een ober werd geroepen en de man bestelde een groot glas wodka. “Drink dit in één teug op,” zei hij tegen Reb Shmuel, “en ik geef je 100 roebel.”

Reb Shmuel keek van het glas dat voor hem was neergezet naar de stapel bankbiljetten die de man onder zijn neus hield. Behalve een slok l’chaim op Sjabbat en bij bruiloften, dronk Reb Shmuel slechts twee keer per jaar — op Poerim en Simchat Tora. En de hoeveelheid wodka in dit glas — eigenlijk leek het meer op een kan dan op een glas — was meer dan hij op beide gelegenheden samen zou consumeren. Reb Shmuel tilde het glas op en dronk de inhoud leeg.

“Bravo!” riep de man en overhandigde hem de 100 roebel. “Maar dit is niet genoeg,” zei Reb Shmuel, wiens hoofd al draaide van de sterke drank. “Ik heb nog 200 roebel nodig om de arme familie uit de gevangenis te krijgen!”

“Een deal is een deal!” riepen de feestvierders. “Honderd roebel per glas! Ober! Vul dit glas opnieuw voor onze drinkmaat!”

Twee liter en twee honderd roebel later strompelde Reb Shmuel de kroeg uit. Zijn alcohol-verdoofde geest was zich van alles onbewust — de blikken van zijn dorpsgenoten die zich voorbereidden op de Heilige Dag, het woeste geblaf van de honden van de edelman, de blije tranen en overvloedige dankbetuigingen van de vrijgelaten familie — behalve de taak om het geld aan de edelman over te dragen en zijn weg naar de synagoge te vinden. Want hij wist dat als hij eerst thuis iets zou eten voor het vasten, hij het niet meer naar sjoel voor Kol Nidree zou halen.

“Op Rosj Hasjana,” eindigde de Rebbe zijn verhaal, “onderwierpen wij ons aan de heerschappij van de Hemel en verklaarden G‑d koning van het universum. Vandaag hebben we gevast, gebeden en berouw getoond, en hard gewerkt om onze toewijding aan G‑d om te zetten in een verfijnd verleden en een verbeterde toekomst. Nu gaan we naar Soekot, waarin we de verworvenheden van de ‘Dagen van Ontzag’ actualiseren en vieren door middel van de speciale mitswot van het feest — een vreugde die zijn hoogtepunt bereikt in de hakafot van Simchat Tora. Maar Reb Shmuel is er al. Toen hij de hakafot aankondigde bij Kol Nidree gisteravond, was dit geen ‘fout.’ Voor ons begon Jom Kipoer net; voor hem was het al Simchat Tora….”

Vertaald vanuit Chabad.org