Lezen en belevenJoodse FeestdagenEen sjofar in Siberië en de jongen die het geregeld heeft

Een sjofar in Siberië en de jongen die het geregeld heeft

Door Chaya Halberstam – Evers

Voor de oorlog in 1936 was mijn opa Meir als jongen met zijn gezin naar de heilige stad Jeruzalem verhuisd. Ter ere van zijn aanstaande bar mitswa stuurde zijn vader hem terug naar Polen om deze dag te vieren in het Chassidische hof van zijn heilige grootvader de Rebbe van Zmigrad, Rabbi Sinai Halberstam. Hij arriveerde in Polen net toen het gerommel van een naderende oorlog zich liet horen. De jonge Meir, die niet in staat was terug te keren naar Jeruzalem, vluchtte met zijn grootvader en directe familie naar Rusland. Eindelijk waren ze veilig, althans dat dachten ze.

De Russische regering maakte van de gelegenheid gebruik om de vele Poolse vluchtelingen die het land nu overspoelden aan het werk te zetten. Meir, mijn grootvader en hun hele gezelschap werd beschuldigd van verraad van de staat en veroordeeld tot zware arbeid op de meedogenloze Siberische toendra.

Rosj Hasjana naderde en de jonge Meir merkte dat zijn grootvader elke dag depressiever werd. “Hoe zullen we de sjofar blazen?” riep de Rebbe. Hoewel hij de heilige sjofar bij zich had die van zijn voorouders was doorgegeven, vervulde de gedachte dat hij gepakt zou worden door de kwaadaardige Russische bewakers hem met angst.

Twee nachten voor de feestdag bedacht de jonge Meir een gedurfd plan. Hij werd midden in de nacht wakker en wikkelde een doek om zijn handen en voeten om eventuele geluiden te dempen. Vanuit zijn raam keek hij naar de bewakers die alcohol dronken en tot diep in de nacht dansten. Hij wachtte tot ze dronken onderuitgezakt waren en sjokte stilletjes door de wind en de kou naar de voorkant van het kamp waar een gigantische bel stond. Hij keek in alle richtingen en klom de hoge paal in tot hij de bovenkant van de bel bereikte. Hij verzamelde al zijn kracht, ontrafelde het touw dat de bel omhoog hield en liet deze naar de grond vallen waar hij in duizenden kleine stukjes uiteenspatte. Even snel en stil gleed hij terug naar de grond en keerde terug naar zijn kazerne.

De volgende ochtend was er een rel. De bewakers zagen de kapotte bel en realiseerden zich dat ze nu voor een enorm probleem stonden. Hoe zouden ze de gevangenen elke ochtend wakker kunnen maken?

Meir vertelde zijn grootvader stilletjes over de dappere missie die hij de vorige nacht had uitgevoerd en legde zijn plan uit.

Zijn oom stapte naar voren en bood de hoofdcommandant aan hem te helpen om het probleem op te lossen. Hij had een oude herdershoorn legde hij uit, waarop zijn vader elke ochtend graag zou blazen om de gevangenen wakker te maken totdat ze een nieuwe bel hadden gekregen. De commandant eiste dat hij de hoorn onmiddellijk zou brengen. De Rebbe arriveerde, sjofar in hand, en begon heldere tonen te blazen die duidelijk door het kamp te horen waren.

“Laat me erop blazen,” schreeuwde de commandant die de sjofar uit de handen van de Rebbe greep. Hij bracht de sjofar naar zijn mond maar hoe hard hij ook blies, er kwam geen geluid uit. Op dit moment van frustratie van de commandant, vertelde de oom van de jonge Meir aan de commandant, dat zijn vader een ‘professionele hoornblazer’ was en dat hij misschien degene moest zijn die elke ochtend op de hoorn moest blazen. De commandant stemde ermee in en benoemde de Rebbe tot ‘officiële wekker’.

Het nieuws verspreidde zich snel door het kamp en al vlug wisten alle Joodse gevangenen dat de Rebbe van Zmigrad de volgende ochtend, de eerste dag van Rosj Hasjana, op zijn heilige sjofar zou blazen. Terwijl de zon achter de horizon sloop en de ijzige ochtend inluidde, waren de Joodse gevangenen klaar en wachtten reikhalzend op de bekende geluiden. De Rebbe huilde terwijl hij blies, de gevangenen huilden en baden, en de jonge Meir beefde van trots toen hij de doordringende tonen van de sjofar door de duisternis zag breken en het kamp met hoop en kracht overspoelde. Het was een sjofarblaas die hij wist dat hij deze nooit zou vergeten.