De Maccabeeën: De Joodse vrijheidsstrijders

De Maccabeeën waren een kleine groep Joodse vrijheidsstrijders die Judea bevrijd hebben van de Syrisch-Griekse bezetters in de periode van de Tweede Tempel.
Het woord Maccabie is het acroniem voor de Hebreeuwse woorden die “Wie is als U onder alle machten” betekenen. Ook wordt de naam Maccabie vertaald als “hamer”.
Onder leiding van Jehoeda HaMaccabie bestormden hij en zijn vier broers de Syrisch-Griekse legers. De Heilige Tempel in Jeruzalem werd opnieuw ingewijd. Deze wonderbaarlijke overwinning wordt jaarlijks met Chanoeka gevierd.
Het verhaal
Meer dan 2000 jaar geleden was er een periode dat het Land van Israel onderdeel was van het Syrisch-Griekse Rijk, geregeerd door de dynastie van de Seleuciden. 174 jaar voor de gewone jaartelling (3586) heerste Antiochus IV over de regio. Hij werd Epiphanes genoemd, wat “god’s geliefde” betekent, maar de mensen noemden hem Epimanes, wat dolleman betekent, een titel die beter paste bij zijn karakter als harde en wrede koning.
Het willen verenigen van zijn koninkrijk, door een gemeenschappelijke religie en cultuur in te voeren, leidde ertoe dat Antiochus het individualisme van de Joden probeerde uit te roeien door het naleven van de Joodse wetten te verbieden. Ook bemoeide hij zich met aangelegenheden van het Beet Hamikdasj, de Tempel in Jeruzalem, o.a. door Hogepriesters (Jason en daarna Menelaüs) aan te stellen die in het geheel niet voor dat eervolle ambt in aanmerking kwamen, maar die hem knap met eerbetoon betaalden.
Antiochus was in die tijd verwikkeld in een succesvolle oorlog tegen Egypte, maar boodschappers uit Rome kwamen bij hem en bevolen hem de oorlog te stoppen, hij moest toegeven. Ondertussen verspreidde zich in Jeruzalem een gerucht dat Antiochus een ernstig ongeluk was overkomen. Omdat men dacht dat hij dood was, kwamen de mensen in opstand tegen Menelaüs. De verraderlijke Hogepriester vluchtte samen met zijn vrienden weg.
Antiochus keerde uit Egypte terug. Hij was woedend door de Romeinse inmenging in zijn ambities. Toen hij hoorde wat er in Jeruzalem was gebeurd, beval hij zijn leger de Joden aan te vallen. Duizenden Joden werden vermoord. Antiochus voerde daarna nog een reeks harde maatregelen in: de Joodse dienst werd verboden, Tora-rollen werden in beslag genomen en verbrand. Sjabbat rust, besnijdenis en kosjer-eten werden verboden, op overtreding stond de doodstraf. Veel dappere Joden weigerden en verkozen de dood.
Matitjahoe: De eerste Maccabie
Op een dag arriveerden agenten van Antiochus in het dorp Modiien waar Matitjahoe, een gerespecteerde, oude priester, woonde. De Syrische bevelhebber bouwde een altaar in het centrum van het dorp en eiste van Matitjahoe offers aan de Griekse goden. Matitjahoe antwoordde: “Ik en mijn zonen en mijn broeders zijn vastbesloten om trouw te blijven aan het verbond dat onze G-d, de schepper van de wereld, met onze voorouders heeft gesloten!”
Vervolgens naderde een gehelleniseerde Jood het altaar, wel bereid om een offer te brengen. Matitjahoe pakte zijn zwaard en doodde hem. Zijn zonen en vrienden vielen de Syrische manschappen aan en verwoestten het altaar. Daarna vluchtten Matitjahoe, zijn zonen en vrienden naar de heuvels van Judea.
Loyale en dappere Joden vochten met hen mee. Van tijd tot tijd verlieten zij hun schuilplaatsen om de vijandelijke eenheden en buitenposten aan te vallen en om de heidense altaren, die in opdracht van Antiochus gebouwd waren, te vernietigen.
Jehoeda HaMaccabie slaat verder
Voor zijn dood riep Matitjahoe al zijn zonen samen, inspireerde hen en gaf opdracht om te blijven vechten ter verdediging van G-d’s Tora. Hij beval hen om het advies van hun wijze broer Sjimon op te volgen. Hun leider in tijden van oorlog zou hun broer Jehoeda zijn, bekend als Jehoeda HaMaccabie .
De Maccabeeën wonnen strijd na strijd, zelfs een gevecht waarbij zij een leger van meer dan 40.000 man wisten te verdrijven!
Daarna keerden de Maccabiem terug naar Jeruzalem om de stad te bevrijden. Ze betraden de Tempel, verwijderden de afgodsbeelden en bouwden vervolgens een nieuw altaar, dat werd ingewijd op de 25e van de maand Kislew in het jaar 139 BCE (3622).
Slechts één kruikje pure olijfolie werd gevonden, met het zegel van de Hogepriester Jochanan. Voldoende om licht te geven voor één dag. Door een wonder van G-d bleef de Menora acht dagen branden, totdat er nieuwe olie beschikbaar was.
Dit wonder bewees dat G-d nog steeds Zijn volk bijzondere bescherming gaf. Ter herinnering hieraan wezen onze geleerden deze acht dagen aan als een feest om jaarlijks G-d te danken voor het wonder van het winnen van de oorlog en voor het acht dagen durende “olie-wonder”.
De Maccabiem leren ons een krachtige boodschap die altijd en overal van toepassing is: Wees nooit bang in het gezicht van tirannie, doe wat je moet doen, geloof in G-d en succes moge zeker komen.
Vertaald vanuit Chabad.org
