Vastendag 17 Tammoez

17 Tammoez markeert de val van Jeruzalem. Hiermee begint een periode van nationale rouw, rondom de verwoesting van de Heilige Tempel in Jeruzalem (in het jaar 70 na d.g.j.t.) en andere calamiteiten die ons volk overkomen zijn. Gedurende die drie weken worden geen huwelijken gesloten en men onthoud zich van nieuwe kleren aan te trekken.
De vastendag van 17 Tammoez, bekend als Sjiva Asar beTammoez, markeert het begin van de driewekenperiode van rouw om de verwoesting van Jeruzalem en de twee Heilige Tempels.
Dit vasten herdenkt in feite vijf tragische gebeurtenissen die op deze datum plaatsvonden:
- Mosje brak de stenen tafelen toen hij zag dat het Joodse volk het Gouden Kalf aanbad.
- Tijdens het Babylonische beleg van Jeruzalem moesten de Joden stoppen met het brengen van de dagelijkse offers wegens gebrek aan schapen.
- Apostomos verbrandde de heilige Tora.
- Er werd een afgodsbeeld in de Heilige Tempel geplaatst.
- Na een langdurig beleg braken de Romeinen in het jaar 69 door de muren van Jeruzalem heen. (Drie weken later, nadat de Joden zich dapper hadden verzet, verwoestten de Romeinen de tweede Heilige Tempel op 9 Aw.)
Volgens de Jeruzalemse Talmoed is dit ook de datum waarop de Babyloniërs de muren van Jeruzalem doorbraken op weg naar de verwoesting van de eerste Tempel.
Het vasten:
Gezonde volwassenen, vanaf bar- of bat-mitswaleeftijd, onthouden zich tussen zonsopgang en zonsondergang van eten en drinken.
Zwangere en zogende vrouwen hoeven mogelijk niet te vasten. Iemand die ziek is, kan een rabbijn raadplegen of hij/zij moet vasten. Het is aangeraden dat ook degenen die vrijgesteld zijn van het vasten, zoals zieken of kinderen, zich onthouden van lekkernijen of zoetigheden.
Het is toegestaan om vroeg op te staan voordat het vasten bij zonsopgang begint en dan te eten, mits men dit voor het slapengaan al voor ogen had.
Tijdens de ochtendgebeden spreken wij selichot uit (boetegebeden). Het “lange Avinoe Malkeinoe” wordt uitgesproken zowel tijdens het ochtend- als het middaggebed.
Tijdens het ochtend- en middaggebed wordt er uit de Tora gelezen. We lezen Sjemot (Exodus) 32:11-14 en 34:1-10, over de nasleep van het Gouden Kalf en hoe Mosje met succes bemiddelde voor het volk Israël en vergeving verkreeg voor hun zonde. Na de middaglezing uit de Tora wordt de speciale haftara voor vastendagen gelezen, Jesaja 55:6-56:8.
Tijdens het Amida-gebed van de middagdienst (Mincha) voegen zij die vasten de paragraaf Aneinoe toe aan de bracha Sjema Koleinoe. (Deze wordt ook toegevoegd in de chazzan-herhaling van het Amida-gebed, zowel in de ochtend- als de middagdienst, als een eigen bracha tussen de brachot van Re’ee en Refa’eenoe.) Daarnaast wordt in de middagdienst tijdens de herhaling van het Amida-gebed ook de priesterzegen toegevoegd.
Als 17 Tammoez op Sjabbat valt, wordt het vasten uitgesteld naar zondag.
Het onthouden van eten en drinken is het uiterlijke aspect van een vastendag. Op een dieper niveau is een vastendag juist een gunstige dag: een dag waarop G’d toegankelijk is en wacht op onze terugkeer.
Onze geleerden leggen uit: elke generatie waarin de Tempel niet wordt herbouwd, is het alsof de Tempel in die generatie is verwoest. Daarom is een vastendag niet alleen een rouwdag, maar ook een betekenisvolle dag. Het is een dag waarop wij worden bemoedigd om de oorzaak van verwoesting te herstellen, zodat het beit hamikdasj weer zal worden herbouwd, moge het spoedig gebeuren.
Vertaald vanuit Chabad.org
