Een Jemenitisch Poeriem wonder

Er was eens een machtige heerser, de grote imam, in Sana, de hoofdstad van Jemen. Hij had een jonge zoon van wie hij veel hield. De jonge prins was evenwel wijs als knap. De Joden van Sana hielden ook van de prins. Iedere keer als hij de Joden in hun Joodse wijk bezocht, begroetten ze hem allemaal met liefde en eer.
Nu had de koning van Jemen, de imam, een Joodse adviseur. Er was geen decreet of wet, geen belasting of tol, die de koning zijn onderdanen oplegde zonder eerst zijn Joodse adviseur hierover te raadplegen. Veel ministers van de koning waren jaloers op de Joodse adviseur en hadden een hekel aan het vertrouwen dat de koning in hem stelde.
Nu begonnen de ministers van de koning de ondergang van de Joodse adviseur te beramen. Tegelijkertijd wilden ze de Joodse gemeenschap in Jemen voor eens en voor altijd vernietigen. Ze kochten de twee dienaren om die de koning had aangewezen om de kroonprins te bewaken en te dienen en haalden hen over om zich bij hen aan te sluiten.
Op een dag maakte de kroonprins, beschermd door zijn twee bedienden, een ritje door de straten van Sana. Toen de zon onderging, zeiden de bedienden tegen hun meester: “Koninklijke Hoogheid! Vanavond vieren de Joden Poeriem. Laten we naar de Joodse wijk rijden en hun synagoge bezoeken, waar ze allemaal verzameld zijn voor de viering!”
De kroonprins vond het een goed idee. Toen de kroonprins en zijn twee lijfwachten bij de poort van de synagoge aankwamen, wachtten de Chacham Bashi (opperrabbijn) en de hoofden van de gemeenschap om de koninklijke bezoeker met alle eer te verwelkomen.
De knechten van de prins stapten van hun paarden af en haastten zich naar de prins om hem te helpen afstappen. Zoals ze hadden gepland, haalde een van hen snel het zwaard van de prins uit de schede met haar punt naar boven, terwijl de ander de voet van de prins in de stijgbeugel hield. Hierdoor struikelde de prins en viel hij op de rand van het zwaard. Het zwaard doorboorde zijn hart en de prins viel dood voor hun voeten neer.
De trouweloze bedienden hadden hun werk zo vakkundig gedaan dat niemand besefte wat er was gebeurd. Onmiddellijk schreeuwden de twee schurken dat de Joden de kroonprins hadden vermoord! Ze lieten het lijk van de prins voor de synagoge achter en galoppeerden terug naar het paleis.
De Joden stonden versteld van de verschrikkelijke ramp die hen was overkomen. De vreugdevolle sfeer van Poeriem maakte plaats voor diep verdriet en angst.
Ondertussen werd het lichaam van de prins naar het paleis gebracht. De koning klaagde bitter over de dood van zijn geliefde zoon en erfgenaam. Hij geloofde het verslag dat de dienaren van de prins hem hadden gebracht, namelijk dat de kroonprins stierf door toedoen van een Joodse huurmoordenaar. De koning beval dat de Joodse wijk moest worden omsingeld en bewaakt en dat niemand deze mocht verlaten. Hij gaf de Joden drie dagen om aan hem de moordenaar uit te leveren. Als ze dat niet zouden doen, zou de hele Joodse wijk in brand worden gestoken en alle Joden erin, mannen, vrouwen en kinderen, zouden omkomen in de vlammen!
Zoals gebruikelijk in tijden van nood, organiseerden de Chacham Bashi vastendagen en riep zijn broeders op om met heel hun hart tot G-d te dawwenen. Hij kondigde aan dat alle Joden van Sana de komende drie dagen moesten vasten: de mannen, vrouwen en zelfs de kinderen. Geen voedsel of water mocht hun lippen aanraken. De oudere Joden moesten dag en nacht in de synagoge blijven.
Iedereen dawwende met een gebroken hart en betraande ogen. Op de derde dag baden ze harder dan ooit. Laat in de middag van de derde dag zei een kleine jongen plotseling tegen zijn moeder: “Moeder! G-d heeft onze gebeden aanvaard. Geef me nu iets te eten … Ik heb honger.” De moeder besloot de jongen naar de Chacham te brengen.
De jongen herhaalde tegen de Chacham wat hij tegen zijn moeder had gezegd. “Zeg eens, mijn jongen, wat heb je vanmorgen op school geleerd?” vroeg de Chacham hem. “Ik leerde dat koning David in de heilige Psalmen (Psalm 8: 3) zei: ‘Uit de mond van baby’s en zuigelingen hebt Gij kracht verordend vanwege Uw vijanden, om de vijand en de wreker te vernietigen‘”, antwoordde de jongen. Hij vervolgde: “Breng me naar de koning. Ik kan hem vertellen wie zijn zoon heeft vermoord.”
De jongen werd gewassen en gekleed in zijn Sjabbatkleren en hij werd door de Chacham Bashi en de Joodse adviseur naar het paleis gebracht. Ze hadden net genoeg tijd om daar te komen voordat het te laat was, want de koning wachtte voor zonsondergang op een antwoord.
In de troonzaal, rustend in een open gouden kist, lag het lichaam van de kroonprins. De jongen deed een stap naar voren. Zijn gezicht was erg bleek, maar zijn stem was vastberaden. “Majesteit, G-d heeft me gestuurd om u te vertellen wie uw geliefde zoon heeft vermoord.”
Terwijl hij dit zei, liep de jongen naar de kist. “Vertel ons de waarheid! Wie heeft je vermoord?” vroeg de jongen tegen de dode prins. Tot ieders grote verbazing ging de dode prins rechtop zitten en wees met een dode vinger naar zijn twee bedienden, die daar stonden te beven en te bibberen. “Ga weer slapen, o prins,” zei de jongen.
De twee schurken vielen onmiddellijk voor de koning op de grond en smeekten om genade. De koning had geen genade met hen. Hij beval ze op te hangen. Voordat ze werden geëxecuteerd, vertelden ze de koning de namen van de slechte ministers die de moord op de kroonprins hadden beraamd. Ze werden ook opgehangen, tien in totaal.
Voor de Joden in Jemen was het een geweldige redding. De Jemenitische Joden besloten dit speciale “Poeriem Jemen” elk jaar te vieren, op de dag na Sjoesjan-Poerim, als een dag van vreugde en feesten en dankzegging aan de Almachtige.
En de jongen? Hij groeide op tot een heilige man. Toen de Chacham Bashi overging naar zijn eeuwige rust, werd de jongen gekozen om hem op te volgen als het hoofd van alle Jemenitische Joden.
Vertaald vanuit Chabad.org
