Gered door koffiekopjes

Lang geleden woonde er in Tunis een Jood die Matzliach heette. Hij hield veel van de Tora, ook al was hij geen grote geleerde. Hij was niet rijk, maar gaf altijd gul aan goede doelen, en had veel liefde voor G-d.
Matzliach, die bekend stond als Matzliach de Antiquair, handelde in oude spullen. Hij werd door iedereen gerespecteerd, vooral vanwege zijn bijzondere gewoonte voor Sjawoe’ot: elk jaar nodigde hij op de eerste avond van Sjawoe’ot tien Tora-geleerden uit bij hem thuis. Hij zette een prachtige maaltijd voor ze klaar, en daarna bleven ze samen de hele nacht wakker om de tikoen te zeggen en Tora te leren – ter ere van de dag waarop het Joodse volk de Tora kreeg bij de berg Sinaï.
Deze gewoonte maakte veel indruk. Dankzij Matzliach bleef bijna iedere Jood in Tunis wakker die nacht. Jong en oud kwamen samen in de synagoge om Tora te leren. Overal stonden lekkernijen klaar om iedereen wakker te houden.
Maar op een keer, vlak voor Sjawoe’ot, zat Matzliach in de problemen. De zaken gingen slecht en hij had geen geld – niet alleen voor zijn jaarlijkse feestmaaltijd, maar zelfs niet voor eten en wijn voor zijn eigen gezin. Met een zwaar hart vertelde hij het aan zijn vrouw Mazal.
“Het ergste vind ik niet dat wij het moeilijk hebben,” zei zij, “maar dat jij jouw mooie gewoonte niet kunt voortzetten. Dat is echt verdrietig.”
“Wat kunnen we doen?” zuchtte Matzliach.
“Ik heb mijn gouden oorbellen nog,” zei Mazal, terwijl ze ze afdeed. “Breng ze naar de pandjesbaas en vraag om een lening. Dan kun je eten kopen voor de chag, én je jaarlijkse maaltijd verzorgen.”
“Dat G‑d je moge zegenen,” zei Matzliach ontroerd. Hij bracht de oorbellen naar de pandjesbaas en kreeg er een mooi bedrag voor.
Terug op weg naar huis kwam hij plots de grote rabbijn Chai Tayeb tegen, de opperrabbijn van Tunis.
“Wat een geluk dat ik je tref!” zei de rabbijn. “Ik ben geld aan het inzamelen voor de armen, zodat ook zij Sjawoe’ot met vreugde kunnen vieren.”
Zonder aarzelen haalde Matzliach het geld uit zijn zak en gaf het allemaal aan de rabbijn. En zijn blije gezicht bij het geven maakte de rabbijn nog blijer dan het geld zelf.
“G‑d zal je belonen met veel mitswot en goede daden,” zei de rabbijn.
Terwijl hij verder liep, dacht Matzliach: “Wat ga ik nu tegen mijn vrouw zeggen?”
Plotseling hoorde hij iemand roepen: “Hè, Matzliach! Jij bent precies wie ik nodig heb!”
Het was een dienaar van de koning van Tunis.
“Zijne Majesteit heeft me gestuurd om antieke koffiekopjes te kopen. Ik weet niet waar ik moet zoeken, maar jij bent een antiquair. Kun jij ze voor me vinden? Je krijgt er goed voor betaald.”
“Ik ga mijn best doen,” beloofde Matzliach.
Hij wist precies waar hij zulke kopjes kon vinden. De handelaar die ze had was blij ervan af te zijn, want niemand wilde ze kopen. Omdat hij Matzliach vertrouwde, gaf hij ze mee op krediet.
In de markt kwam Matzliach opnieuw de dienaar tegen. “Heb je de kopjes gevonden?” vroeg die.
“Dankzij G‑d, ja.”
Samen gingen ze naar het paleis, waar de koning erg blij was met de kopjes. “Precies wat ik zocht!” zei hij. “Ik weet dat jullie je nu voorbereiden op jullie feestdagen. Ik waardeer het dat jij toch tijd hebt gemaakt om dit voor mij te regelen. Hoe gaat het met jouw voorbereidingen?”
“Om eerlijk te zijn, Majesteit, heb ik nog niets kunnen kopen.”
De koning gaf direct opdracht om twee zakken bloem, een kruik olie en twee mooie lammetjes naar Matzliachs huis te sturen. Toen vroeg hij: “Wat wil je hebben voor deze kopjes?”
Matzliach noemde de prijs en zijn gewone winst.
“Wat? Is dat alles?” zei de koning verbaasd. “De koning van Tunis doet geen koopjes! Jij krijgt de volle waarde ervoor!”
Matzliach verliet het paleis met een flinke som geld. Op weg naar huis kwam hij opnieuw de opperrabbijn tegen.
“Ik kan mijn donatie nu verdubbelen!” zei Matzliach blij, en gaf het dubbele van wat hij eerder had gegeven.
“Rabbijn, uw zegen is uitgekomen,” zei hij, en vertelde wat er allemaal was gebeurd.
“G-d dank,” glimlachte de rabbijn. “We hebben het allebei goed gedaan vandaag. Chag Sameach!”
En zo werd het een werkelijk gelukkige Sjawoe’ot voor Matzliach en zijn goede vrouw Mazal. En wat hen het allervrolijkst maakte, was dat zij – ook dit jaar – weer hun mooie gewoonte konden voortzetten: leren en wakker blijven op de heilige nacht van Sjawoe’ot.
Vrij vertaald van Chabad.org
