Tora Gedachte – Chanoeka

Chanoeka begint op de 25e dag van de maand Kislev. De avond daarvoor steken we het eerste Chanoeka-kaarsje aan. Iedere avond steken we een extra kaarsje aan, tot de achtste avond van Chanoeka. Dan steken wij acht Chanoeka kaarsen aan, de Sjamasj niet meegerekend. Hier kunnen we een belangrijke les uit leren: wij moeten onze kennis blijven vergroten en zeker wanneer het kennis van de Tora betreft, want Tora wordt met licht vergeleken: Tora – Or.
Dus zeggen wij niet: “Oh, ik weet alles al over Chanoeka!” Als wij al alles over Chanoeka zouden weten, als wij niets meer van dit prachtige feest zouden kunnen leren, dan zouden wij niet ieder jaar opnieuw Chanoeka hoeven te vieren. Daarom, net zoals wij de Chanoeka kaarsjes vermeerderen, zo moeten wij ook onze kennis en inspiratie die aan ons Lichtenfeest is verbonden, vermeerderen. Met het oog daarop zullen wij enkele van de gebeurtenissen uit de Chanoeka geschiedenis hier voor het voetlicht brengen.
Chanoeka neemt ons meer dan 2000 jaar terug in de tijd. Naar de tijd van de Tweede Tempel, het tweede Bét Hamikdasj, dat herbouwd was door de ballingen die uit Babylonië waren teruggekomen in het jaar 3408 na de Schepping.
Tijdens de 420 jaar dat het tweede Beet Hamikdasj bestond, was het land Israël geen volledig onafhankelijke staat. Het was eerst een deel van het Perzische koninkrijk, later van het Syrische en tenslotte van het Romeinserijk. Want alle grote wereldmachten hebben gevochten om het bezit van ons kleine land, ons Heilige Land.
Als het op legers en wapens aankwam, was ons land altijd klein en zwak, als een lammetje tussen woeste wolven. Maar als het over zaken ging die met spiritualiteit, met de Tora en G’d te maken had, was er geen sterkere natie in de wereld. Wat dit betreft nam ons volk van niemand bevelen aan. Wij moesten immers een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn!
Het hoofd van het Joodse volk was in deze tijd meestal geen koning, maar de hogepriester. En wij waren tevreden zolang wij G’d op onze eigen manier konden dienen.
Er trad een verandering op in de tijd dat de vergriekste koningen van Syrië over Israël regeerden. Koning Antiochus van Syrië verplichte de Joden hun religie, hun Tora en Mitswot, hun hele manier van leven, op te geven. De Grieken, Syriërs, Romeinen, de hele rest van de wereld, met uitzondering van de Joden, waren afgodendienaars. Zij konden niet begrijpen dat wij een G’d dienen, die niet gezien kan worden, dat wij een heilige dag in de week hebben, de Sjabbat, waarop geen werk wordt verricht, dat wij alleen maar kosjer voedsel eten en geen ander voedsel. Deze koning Antiochus dacht dat hij de slimste koning was die ooit geleefd had en hij wilde dat de Joden net zo zouden leven als zijn eigen volk. Of ze dit nu wilden of niet. Hij had grote sterke legers en veel soldaten die zijn bevelen konden uitvoeren; de Joden hadden geen legers en geen soldaten.
Antiochus dacht dat het eenvoudig zou zijn om de Joden te laten doen wat hij wilde. Hij gaf bevelen dat het geen enkele Jood nog was toegestaan om G’d te dienen, om Tora te leren, om de Sjabbat te houden. In plaats daarvan moesten de Joden zijn goden dienen, treife voedsel eten en net zo leven als de Grieken. Als een Jood zich niet aan deze bevelen van de koning zou houden, zou hij ter dood gebracht worden!
Er waren veel Joden die bang waren om de koning niet te gehoorzamen; zij wilden niet sterven. Er waren ook Joden die naar de koning wilden luisteren om zo een beloning te krijgen, om rijk en machtig te worden. Maar gelukkig, er waren ook Joden voor wie rijkdom en macht niets betekende als zij G’d niet konden dienen en niet volgens de Tora konden leven zoals hun ouders en grootouders dat al vele vele jaren, sinds de tijd van Mosje, voor hen gedaan hadden. Deze Joden waren niet bang om te sterven, omdat het erger is om in afgoderij te leven, dan te sterven. En daarom waren er dappere Joden, jong en oud, die met overtuiging hun dood tegemoet gingen door de slechte koning niet te gehoorzamen. Zoals de oude Elazar en de moedige Channa en haar zeven zonen. Er bleef slechts een handjevol moedige Joden over. De meeste anderen waren vermoord of waren de heuvels en grotten in gevlucht. Zouden alleen de Griekse gewoonten en afgodendienst in ons heilige land overblijven?
“Er waren ook joden voor wie macht en rijkdom niets betekende als zijn G’d niet konden dienen.”
Een handjevol moedige Joden besloot om voor G’d, voor de Tora en voor het land te vechten. Het waren Mattitjahoe en zijn vijf zonen, in Modi’ien wonend, een stadje niet ver van Jeroesjalajiem. Mattitjahoe was de zoon van de hogepriester en hij woonde niet in Jeroesjalajim maar in Modi’ien, omdat het Bét Hamikdasj door de soldaten van Antiochus onrein was gemaakt. De Menora brandde niet meer en diensten waren niet meer toegestaan.
De oude Mattitjahoe verklaarde dat zelfs als alle andere Joden bereid zouden zijn om de bevelen van koning Antiochus op te volgen, hij, Mattitjahoe en zijn familie, nimmer het hoofd voor Antiochus zouden buigen. Zij vluchtten niet. Integendeel, toen een van de officieren van de koning naar Modi’ien kwam, een altaar op het marktplein oprichtte en de Joden beval afgoden te dienen, vielen Mattitjahoe en zijn zonen de soldaten aan, doodden enkelen van hen en joegen de rest van de stad uit.
Dit was het begin van de geweldige strijd die de Chasjmoneeërs, de familienaam van Mattitjahoe, met Antiochus leverden. Het begon met een klein vonkje, maar breidde zich later tot een grote vuurzee. Meer en meer Joden kregen hun moed terug toen zij zagen hoe dapper Mattitjahoe en zijn zonen waren. Nog steeds gering in aantal en geen partij voor de getrainde en bewapende legers van de vijand, kwam G’d hen te hulp. Weinigen, versloegen velen; zwak als zij waren, versloegen zij de machtigen. Want hun geest was sterk en zij vochten voor G’d en voor de Tora, voor het goede en voor de waarheid.
Toen de vijand geheel verslagen was en om vrede smeekte, toen Jeroesjalajiem was bevrijd en het Bét Hamikdasj gereinigd was en opnieuw ingewijd -Chanoeka=inwijding- staken zij de Menora weer aan met het enige kruikje reine olie dat zij in het Bét Hamikdasj konden vinden dat niet door de vijand was aangeraakt. Toen gebeurde er opnieuw een groot wonder: de olie, slechts voldoende voor één dag, bleef acht dagen lang branden. Tot er nieuwe reine olie gemaakt was. Zo liet G’d Zijn kinderen zien dat Hij met hen was. Zo lang er een klein beetje reine olie overblijft, zorgt G’d ervoor dat het licht nooit uit zal gaan.
Ieder jaar steken we acht dagen lang de Chanoeka kaarsjes. Want het licht van de Tora schijnt ook vandaag de dag nog. Omdat wij vastbesloten zijn het licht te laten schijnen. G’d geeft ons kracht om de machtigste vijanden te overwinnen. Dat is de reden dat Chanoeka een van de meest betekenisvolle feesten voor ons is. De Chanoeka kaarsen geven ons moed, licht en geluk.
CHAG SAMEE’ACH!
Bron: Talks and Tales
