Lezen en belevenJoodse FeestdagenDe man die Tikkoen nacht vierde

De man die Tikkoen nacht vierde

Lang geleden leefde er in Tunis een achtenswaardige Jood die Matsliach heette. Hij hield veel van de Tora, maar was geen groot Tora-geleerde. Hij was niet erg rijk, maar hij gaf veel Tsedaka en was een G’dvrezend man. Matsliach the antiquair, zoals hij bekend stond, was een gerespecteerd man in zijn gemeente. Met Sjawoe’ot, het feest van Mattan Tora, had hij een speciale gewoonte, waar hij bijzonder om geprezen werd. Ieder jaar op de eerste avond Sjawoe’ot, nodigde hij tien Tora-studenten in zijn huis uit, voor wie hij een feestmaaltijd bereidde. Na deze maaltijd zeiden ze Tikkoen en leerden de hele nacht Tora ter ere van het grootse feest van het ontvangen van de Tora.

Het begon vele jaren daarvoor, toen Matsliach voor het eerst hoorde over de oorsprong van de Joodse gewoonte om de eerste nacht van Sjawoe’ot wakker te blijven. Hij was verbaasd te horen dat op de avond vóór de grootse dag dat G’d de Tora op de Berg Sinai aan het Joodse volk zou geven, zij niet wakker waren gebleven. Zij sliepen zelfs zo vast dat toen G’d vroeg in de ochtend naar de berg afdaalde om de Tora te geven, Zijn gekozen volk daar nog niet was! Daarom liet G’d het donderen en bliksemen, waardoor zij wakker werden en naar de berg renden. Het was niet zo dat het volk niet naar de Tora verlangde. Integendeel, zij hadden de dagen geteld –negenenveertig dagen, zeven volle weken- van de dag nadat zij uit Egypte waren vertrokken, vurig verlangend naar de dag van Mattan Tora. Maar toch, de avond vóór deze grootse gebeurtenis, als je zou verwachten dat ze te opgewonden zouden zijn om ook maar aan slapen te kunnen denken, sliepen zij vaster dan ooit. Wilden zij goed uitgerust, verfrist en helemaal wakker zijn op het moment van de G’ddelijke openbaring? Hoe het ook zij, het was een teleurstelling. En daarom werd het de gewoonte voor Joden overal ter wereld om deze ‘foute’ indruk goed te maken en de nacht van Sjawoe’ot wakker te blijven. Dat is ook wat “tikkoen” betekent – “correctie”.

Welnu, Matsliach en zijn gasten hielden zich keurig aan deze gewoonte en het maakte indruk en gaf inspiratie aan de hele gemeenschap. Er was geen Jood in Tunesië die die nacht niet opbleef. Jong en oud verzamelde zich in Sjoel om de hele nacht Tikkoen te zeggen en Tora te leren. Er werden hapjes en drankjes rondgebracht om hen wakker te houden.

Het gebeurde echter dat Matsliach vlak voor Sjawoe’ot in een moeilijke situatie verkeerde. De zaken waren niet goed gegaan en Matsliach had geen geld. Niet voor zijn gebruikelijke feestmaaltijd, en ook niet voor de behoeften van zijn eigen gezin, zoals voedsel en wijn voor Jom Tov. Met verdriet vertelde hij zijn vrouw Mazal over de moeilijke situatie waarin hij zich bevond en ook zij was erg bedroefd. “Het is nog niet zo erg dat wij onze eigen benodigdheden niet hebben, maar het feit dat jij jouw mooie gewoonte niet kunt houden, bezorgt mij meer verdriet,” zei zijn vrouw. “Het doet mij pijn daar aan te denken.”

“Maar wat kunnen wij doen?”

“Nou, ik heb nog steeds mijn waardevolle oorbellen,” zei Mazal. “Hier, neem ze mee naar de pandjesbaas en neem een lening totdat de zaken beter gaan. Je zou voldoende moeten krijgen voor Jom Tov en jouw gebruikelijke feestmaaltijd.”

“Moge G’d je zegenen,” zei Matsliach dankbaar. Hij nam de oorbellen naar de pandjesbaas en kreeg er een goede prijs voor.

Toen hij vrolijk naar huis liep, kwam Matsliach de eerbiedwaardige Rabbi Chai Tajeb, hoofdrabbijn van Tunesië tegen. Matsliach groette de rabbijn met respect en de rabbijn groette hem terug, duidelijk verheugd om hem op straat tegen te komen.

“Je hebt mij een tochtje bespaard,” zei de rabbijn. “Ik doe een rondje om geld op te halen voor de armen, zodat ook zij het feest van Mattan Tora in vreugde kunnen vieren.”

Zonder aarzeling stak Matsliach zijn hand in zijn zak en gaf de rabbijn het geld dat hij zojuist van de pandjesbaas had gehad. De rabbijn was niet minder verheugd om het geld dat hij ontving en om de bereidheid waarmee Matsliach het geld gaf.

“Moge G’d je zegenen veel mitswot en goede daden te doen,” zei de rabbijn toen zij afscheid namen.

Langzaam liep Matsliach weer naar huis. “Wat moet ik mijn vrouw vertellen?” vroeg hij zich af, toen hij plotseling iemand zijn naam hoorde roepen.

“Hé Matsliach! Jij bent net de man die ik hebben moet!”

Het was een van de koninklijke bedienden van de Bey van Tunis, die hem geroepen had. “Zijne Hoogheid heeft mij er op uit gestuurd om een stel antieke koffiekopjes te kopen. Ik heb echter geen idee waar ik die kan vinden. Maar jij bent een antiquair. Haal ze voor mij en je zult rijkelijk beloond worden,” zei de hofbediende.

“Ik zal mijn best doen,” beloofde Matsliach. Als er dergelijke kopjes waren, dan wist Matsliach ze te vinden en hij vond ze. De handelaar naar wie Matsliach ging was blij dat hij eindelijk van de kopjes af was. Hij was al bang geweest dat hij ze nooit zou kunnen verkopen. Hij verkocht de kopjes op krediet aan Matsliach, want hij wist dat de Joodse antiquair een betrouwbare man was.

Toen Matsliach over de markt liep, kwam hij de hofbediende opnieuw tegen, die nog naar andere zaken op zoek was. “Heb je de juiste kopjes voor mij kunnen vinden?”
“Dankzij de Eeuwige heb ik ze gevonden.” De hofbediende nam Matsliach mee naar het koninklijk hof en introduceerde hem bij de Bey. De koning was erg blij met zijn kopjes. “Dit is precies wat ik wilde,” zei hij. Ik weet dat de Joden nu druk bezig zijn met de voorbereidingen voor hun feest. Het verheugt mij dat je toch de tijd genomen hebt om deze prachtige kopjes voor mij te vinden. Trouwens, hoe ver ben jij met je voorbereidingen voor het feest?”

“Om U de waarheid te zeggen, Majesteit. ik heb nog niets voor Jom Tov gekocht.”

De koning gaf onmiddellijk bevel twee zakken fijn meel, een kan olijfolie en twee levende lammeren naar het huis van Matsliach te brengen. Toen vroeg hij Matsliach wat hij hem voor de kopjes verschuldigd was. Matsliach vertelde de koning wat hij betaald had en telde daar zijn normale commissie bij op.

“Wat? Heb je maar zo weinig voor deze waardevolle kopjes hoeven te betalen? Welnu, de heerser van Tunesië is niet op zoek naar koopjes. Jij zult naar hun echte waarde betaald worden!”

Matsliach verliet het paleis met een grote som geld. Toen hij naar huis liep, kwam hij opnieuw de hoofdrabbijn tegen. “Ik kan mijn donatie nu verdubbelen” zei Matsliach blij en hij overhandigde de rabbijn hetzelfde bedrag als hij eerder al had gegeven. “Rabbijn, Uw zegen heeft bij de Eeuwige gehoor gevonden,” zei Matsliach en hij vertelde hoe G’d hem goedgezind was.

“Dank G’d dat wij het vandaag allebei goed gedaan hebben,” zei de rabbijn. “Goed Jom Tov.”
En het was inderdaad een goede Jom Tov voor Matsliach en zijn vrouw Mazal. En wat hen nog het gelukkigst maakte was dat zij ook dit jaar weer de Tikkoen nacht als altijd konden vieren.

(Bron: Talks and Tales)