Dajeenoe

Lang geleden, in een ver land, leefde een rijke Joodse man die in kostbare stenen en munten handelde. Zijn naam was Abraham Amittai. Hij werd alom gerespecteerd vanwege zijn eerlijkheid. Maar hij was vooral geliefd om zijn vriendelijkheid en zijn liefdadigheid. Zijn huis stond altijd open voor de armen en niemand verliet zijn huis hongerig of met lege handen.

Met name rond de feestdagen zorgde Abraham voor de armen. Hij moest er niet aan denken dat hij Kiddoesj zou maken aan een feestelijke tafel, waarbij hij G’d zou bedanken voor de heerlijke feestdagen en vreugdevolle tijden, terwijl er ergens in de gemeenschap een arme was, bedroefd omdat hij niet voldoende wijn of voedsel had om de Jom Tov te kunnen vieren.

Helemaal druk werd het als het bijna Pesach was. Wanneer er extra veel wijn nodig is voor de vier bekers van de Seder. Er matsot en andere benodigdheden voor acht dagen nodig zijn. Weken vóór Pesach, direct al na Poeriem, probeerde Abraham uit te vinden wie er hulp nodig had, zodat hij ervoor kon zorgen dat iedereen het feest van onze vrijheid zou kunnen vieren. Behoeftige kinderen ontvingen een speciale traktatie. Abraham kocht nieuwe schoenen en kleding voor de kinderen in het weeshuis en ook voor de arme kinderen in de Leerschool. En als hij dat allemaal gedaan had, kon hij oprecht blij zijn als hij zich aan zijn schitterende sedertafel neerzette, omringd door vele gasten, vooral reizigers, bedelaars en daklozen die geen eigen sedermaaltijd hadden. Zo ging het jarenlang en Abrahams goede naam was wijd en zijd bekend. Maar toen kwam er een tijd dat het niet zo goed met de zaken van Abraham ging. De investeringen die Abraham had gedaan liepen allemaal uit op een mislukking.

Toen het Pesach ging worden, realiseerde Abraham zich dat hij niet langer in staat was om alle goede dingen te doen die hij gewoon was te doen. Het deed hem heel veel pijn als hij aan alle armen en behoeftigen dacht die van hem afhankelijk waren voor een gelukkige Pesach. Hij begon na te denken over wat hij misschien verkeerd gedaan had om er nu financieel zo slecht voor te staan. Kon het zijn omdat hij teveel genot had van zijn eigen goede daden? Was hij wel nederig genoeg om te realiseren dat wat hij weg gaf niet van hemzelf was, maar dat hij slechts G’ds tussenpersoon was om de armen te helpen? Of stelde G’d het geloof van Abraham simpelweg op de proef?

Hoe het ook zij, Abraham besloot dat hij zijn normale voorbereidingen voor Pesach zou maken, zelfs als hij daarvoor veel geld moest lenen. Gelukkig maar dat nog niemand in de stad over zijn slechte financiële positie op de hoogte was. Zo zou hij nog geld kunnen lenen.

‘Maar hoe ga je de schuld terugbetalen?’ waarschuwde hem een stem van binnen. Abraham zette deze gedachte onmiddellijk van zich af. ‘G’d zal dit voor mij regelen,’ hoorde hij zichzelf vol overtuiging zeggen.

Toen Abraham op een dag tussen Poeriem en Pesach over de marktplaats liep om zijn gebruikelijke bestellingen voor schoenen en kleren voor de arme kinderen te doen, hoorde hij trompetgeschal. Hij sloot zich aan bij de massa mensen die zich verzameld hadden om de aankondigen van de herauten van de koning te horen. ‘Hoor, hoor, beste burgers!’ riepen de boodschappers van de koning. ‘De belangrijkste edelsteen van de koning is uit de koninklijke schatkamer gestolen. Iedereen die helpt om de dief te vinden en de edelsteen terug te vinden zal rijkelijk door de koning worden beloond!’

Abraham besloot naar de koning te gaan en hem zijn diensten aan te bieden. ‘Mijn naam is Abraham Amittai en ik ben een handelaar in waardevolle stenen,’ zei hij. ‘Ik ben er zeker van dat ik, met G’ds hulp, in staat zal zijn om de gestolen edelsteen voor uw majesteit terug te vinden.’

‘Graag, ga je gang,’ zei de koning bemoedigend. ‘Als je daarin slaagt, zul je rijkelijk worden beloond.’

‘Ik heb echter wel van te voren een bedrag nodig om mijn onderzoek uit te voeren. Zou uw majesteit genegen zijn om mij een deel van de beloning alvast voor te schieten?’

‘En hoeveel zou dat dan zijn?’ vroeg de koning. Abraham berekende snel hoeveel geld hij nodig had om de armen en behoeftigen voor Pesach te helpen en hij noemde dit bedrag aan de koning.

De koning had gehoord dat Abraham een eerlijk man was en antwoordde: ‘Met genoegen geef ik jou dit bedrag, dat slechts een fractie is van de beloning die je zult ontvangen als je de dief ontmaskert.’ Vervolgens gaf hij opdracht aan zijn schatkistbewaarder om Abraham het geld te geven.

Abraham verliet het paleis van de koning als een heel gelukkig man. G’d had zijn gebeden verhoord en hij was nu opnieuw in staat om al de armen en behoeftigen die voor hulp naar hem toe kwamen, te helpen.

‘Wees niet zo stom!’ waarschuwde hetzelfde vreemde stemmetje in zijn hoofd opnieuw. ‘Hoe kun jij nu ooit ontdekken wie de dief is? Je brengt je leven in gevaar. Geef de koning het geld terug voordat het te laat is!’ Opnieuw legde Abraham dit stemmetje het zwijgen op. Vol zelfvertrouwen zei hij: ‘G’d zal mij niet laten falen om het lot van zijn behoeftige kinderen!’

Het was een prachtige lenteavond. De lucht was helder, fris en het rook naar de geur van nieuwe bloesems. Een volle maan scheen in de wolkeloze lucht. De koning besloot een tocht in zijn koninklijke koets door de straten van zijn stad te maken. Hij gaf de koetsier opdracht ook door de Joodse wijk te rijden. Het was vlak voor middernacht toen de koning daar een helder verlicht huis zag.

‘Wie woont er in dat huis?’ vroeg de koning aan zijn bediende.

‘Het is het huis van de rijke Abraham Amittai.’

‘Waarom is het huis om dit uur nog zo verlicht?’

‘Ik weet het niet, Majesteit. Misschien dat de eigenaar iets te vieren heeft…’

‘In dat geval zullen hem verassen door bij zijn feestje aanwezig te zijn,’ sprak de koning.

De koets stopte en de koning stapte uit. Toen hij dichterbij kwam hoorde hij het geluid van veel stemmen die vrolijk zongen. Hij opende de deur en bleef daar even staan luisteren. Hij kon het lied duidelijk horen. De woorden van het lied kende hij niet, maar één woord dat door één persoon luider werd uitgesproken dan de rest trok zijn aandacht – ‘Dajenoe!’.

De koning luisterde met gespitste oren. Nee, zijn oren bedrogen hem niet. Hij hoorde het opnieuw en opnieuw. ‘Dajenoe!’, gevolgd door een refrein ‘daj daj jenoe daj daj jenoe…’

‘Aha! Dus dat is wat Abraham viert!’ concludeerde de koning. Hij deed de deur zachtjes dicht en liep terug naar zijn koets.

‘Direct naar het paleis en snel!’

Zodra de koning terug was in zijn paleis, stuurde hij enkele soldaten weg om zijn minister Dajenoe te halen. ‘Sleur hem desnoods uit bed, maar breng hem meteen hier!’

Korte tijd later verscheen de minister trillend en lijkbleek voor de koning.

‘Dajenoe. Jij gemene dief! Ik weet dat jij mijn onbetaalbare edelsteen hebt gestolen. Beken of ik zal je meteen laten onthoofden!’

Dajenoe viel op zijn knieën en smeekte om genade. ‘Ik….ik weet niet wat over mij kwam… ik… ik kon de verleiding niet weerstaan… ik wilde het alleen maar een tijdje lenen….mijn vrouw… zei… ik zweer dat het nooit meer zal gebeuren… genade, uwe majesteit…hier….ik heb de steen bij me…’. Hij zocht in zijn kleding en daar was de glinsterende edelsteen.

‘Neem de edelsteen van hem aan en gooi die hond in de kerker tot ik beslis wat ik met hem zal doen!’ Toen de ‘eerbiedwaardige’ minister Dajenoe werd weggeleid, streelde de koning de waardevolle steen die hij in zijn kroon had willen laten zetten. Hij was vervuld met vreugde en met diepe dankbaarheid voor Abraham.

De volgende ochtend zond de koning zijn koninklijke koets om Abraham Amittai naar het paleis te laten brengen. De koets kwam vrij snel terug, maar zonder Abraham. De bediende van de koning legde uit dat Abraham om enig uitstel gesmeekt had omdat het een heilige feestdag voor de Joden was en het verboden was om in een koets te rijden. Echter, hij was te voet vertrokken en zou spoedig voor de koning verschijnen.

De hele weg naar het paleis vroeg Abraham zich af waarom de koning hem ontboden had. Was hij misschien ongeduldig geworden en boos omdat hij, Abraham, de dief nog niet gevonden had? Als dat het geval was, waarom zond de koning dan zijn koninklijke koets om hem te laten komen? Wat zou hij de koning kunnen vertellen?

Uiteindelijk besloot hij om alles aan G’d over te laten. ‘G’d zal mij toch zeker niets kwaads laten overkomen op Pesach, het feest van onze vrijheid!’

Kalm en vol vertrouwen verscheen hij voor de koning. Deze begroette hem op warme wijze.

‘Ik heb je laten roepen om je te laten weten dat de waardevolle steen weer terug in mijn bezit is; de dief is inmiddels gearresteerd. Hij heeft bekend en hij is nu in afwachting van mijn vonnis. Ik ben jou voor jouw succesvolle inspanningen erg dankbaar, beste Abraham, en ik zal jou zo snel mogelijk de rest van je beloning geven’.

Abraham was heel verbaasd. De koning ging verder: ‘Jij vraagt je natuurlijk af hoe ik wist wie de dief was voordat jij mij dit vertelde. Laat ik jou daarom een klein geheim verklappen.’

Toen vertelde de koning aan Abraham hoe hij de naam van de dief had gehoord. ‘Ik begreep meteen dat jij de ontdekking van de dief aan het vieren was. Wie had kunnen denken dat de dief niemand anders was dan mijn minister Dajenoe!’

Nu werd alles duidelijk voor Abraham. Hij dankte G’d dat Deze de koning naar zijn huis had geleid op het moment dat hij en zijn gasten aan de sedertafel Dajenoe zongen! ‘Hoe mooi zijn toch de wegen van de G’ddelijke Voorzienigheid!’ dacht Abraham.

‘Welnu, mijn vriend heb jij niets te zeggen?’ vroeg de koning.

‘Inderdaad dat heb ik majesteit’, antwoordde Abraham. ‘De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat het niet mijn slimme speurwerk was dat tot de ontdekking van de dief heeft geleid.’

Hij legde de koning uit dat wat de koning gehoord had niet een feest was om de ontdekking van de dief maar een sedermaaltijd, waarbij gevierd werd dat het Joodse volk van het Egyptische juk was bevrijd. ‘Het lied dat U ons gisterenavond hoorde zingen was een van de mooiste lofzangen die wij voor G’d zingen om Hem te danken voor alles wat Hij voor ons heeft gedaan. Het lied gaat als volgt:

Als G’d ons uit Egypte had geleid, maar de zee niet had gespleten, zou dat voor ons voldoende geweest zijn – Dajenoe! Als Hij voor ons de zee had gespleten en ons niet door de woestijn had geleid, zou het voldoende voor ons zijn geweest – Dajenoe!

Wij bezingen in dit lied de wonderen van de bevrijding uit Egypte, het oversteken van de zee, het manna, het geven van de heilige Sjabbat, het geven van de Tora, het brengen naar het beloofde land en tenslotte danken wij G’d voor zijn Sjechina-Aanwezigheid. Elk coupletje besluit met het refrein ‘Dajenoe – het zou voor ons voldoende zijn geweest U dankbaar te zijn.’

‘Zo, dus dat was het!’ zei de koning, terwijl hij hartelijk lachte. ‘Ja majesteit,’ zei Abraham en haastte zich om oprecht daaraan toe te voegen: ‘onder de gegeven omstandigheden betwijfel ik of ik uw beloning verdien…. Het was slechts de G’ddelijke Voorzienigheid die ertoe leidde dat de naam van de dief aan u bekend werd…’

‘Jouw eerlijkheid houdt gelijke tred met jouw vroomheid’ zei de koning. ‘Als G’d jou als zijn boodschapper gekozen heeft, heb jij zeker de beloning verdiend. Ik zal twee zakken gevuld met gouden munten bij jouw huis laten bezorgen. Bovendien zal ik jou aanstellen als juwelier van het Hof om de koninklijke familie te voorzien van alle edelstenen en alle juwelen die nodig zijn. En nu, mijn beste Abraham, ga naar huis en geniet van jouw bevrijdingsfeest!’

En zo werd Abraham rijker beloond dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Hij leefde nog lang en gelukkig. Zijn rijkdom deelde hij genereus met de armen en behoeftigen. En iedere dag zong Abraham ‘Dajenoe’…

(Bron: Talks and Tales)