Chanoeka Overdenkingen

Onze Joodse feesten hebben allemaal een spirituele inhoud. Daarnaast hebben zij te maken met historische gebeurtenissen in het leven van ons volk. Pesach is de viering van onze bevrijding uit de Egyptische slavernij; Sjavoeot is de viering van het geven van de Tora op de berg Sinai. Soekot herinnert ons aan de veertig jaar durende tocht van ons volk door de woestijn op weg naar het Beloofde Land en aan de G-ddelijke bescherming en zorg die onze voorouders toen genoten. Poeriem herinnert aan de redding door G-d in de tijd van Mordechai en Esther, toen het Joodse volk onder het gezag van Perzië en Medië in ballingschap leefde. Chanoeka brengt G-ds miraculeuze redding door middel van Mattisjahoe en zijn zonen in herinnering, in de tijd van de Grieks/Syrische bezetting van het land van Israel (ongeveer 200 jaar na de Poeriem-gebeurtenis).
Omdat ieder feest verbonden is met een aparte historische gebeurtenis heeft ieder feest als extra zijn speciale mitswot en gewoonten. Daarnaast onderscheidt Chanoeka zich van de andere feesten, omdat dit het enige feest is dat zijn oorsprong had in het land Israel. De wonderen van Chanoeka vonden immers in ons Heilige Land plaats, ondanks dat het toen door de Syriërs bezet was.
Aan de andere kant heeft Chanoeka een aantal overeenkomsten met twee andere feesten, namelijk Pesach en Poeriem. Deze drie feesten brengen historische situaties in herinnering waarbij ons hele Joodse volk bedreigd werd door een machtig despoot, een jodenhater die zich tegen de Almachtige en het Joodse volk durfde te verzetten. Hun namen zijn bekend: Farao, koning van Egypte; Haman, minister-president van Achasjveros, de koning van Perzië en Medië; Antiochus Epiphanes, de koning van Syrië die over een deel van het voormalige Griekse Rijk regeerde, waaronder het land Israel.
Maar let op: er is een belangrijk verschil in de aard van de dreiging en de redding tussen Chanoeka enerzijds en de andere twee feesten anderzijds. Farao maakte de Joden tot slaven met zware arbeid en wrede decreten met de bedoeling om hun aantallen te reduceren. De Joden waren machteloos. Het enige dat zij konden doen was tot Hasjem te bidden, de G-d van hun vaderen. En ja, Hasjem redde hen op grootse, wonderbaarlijke wijze.
Haman wilde Farao overtreffen. Hij wilde alle Joden – mannen, vrouwen en kinderen – in één dag vernietigen. Toen Mordechai en Esther van dit plan hoorden, gaven zij de Joden opdracht om te bidden en te vasten, terwijl zij tegelijkertijd alles deden wat in hun macht lag om Hamans plan in de war te schoppen. Opnieuw redde Hasjem Zijn volk op zo’n wonderbaarlijke wijze dat het tij zich keerde en Haman en zijn aanhangers ten onder gingen.
Antiochus probeerde slimmer dan Farao en Haman te zijn. Hij zou niet proberen de Joden op brute wijze te vernietigen. Hij was tenslotte een Griekse filosoof en het was ongepast om een heel volk – jong en oud, vrouwen en kinderen – te vernietigen. Nee, Antiochus had niet de bedoeling om het Joodse volk fysiek uit te roeien. In plaats daarvan wilde hij het spiritueel vernietigen. Hij zou hun zielen gevangen nemen door middel van overreding!
Antiochus dreigde de Joden niet hun land weg te nemen of hen naar zijn eigen land als ballingen mee te nemen. Integendeel, hij verzekerde hen dat zij vreedzaam in hun land konden blijven wonen. Hij wilde alleen maar dat zij hun Joodse levenswijze zouden verlaten en op dezelfde wijze zouden leven als hij en al zijn onderdanen, namelijk door de gewoontes van de Grieken te volgen, hun feesten te vieren en hun goden te dienen.
In het begin had Antiochus daar succes mee. Er waren Joden, met name de rijkere Joden, die de Griekse gewoonten en feesten aannamen en de Griekse levenswijze volgden. Zij werden Hellenisten genoemd, wat imitator van de Grieken betekent. Maar andere Joden weigerden om beïnvloed te worden. Toen vaardigde Antiochus decreten uit die het de Joden verbood om Tora te studeren en de Mitswot na te leven. Hij ging zelfs zover dat hij het Beet Hamikdasj, de Tempel in Jeruzalem ontheiligde. Joden die zijn wrede bevelen niet opvolgden, werden gedood.
Wat konden de Joden doen? Tot G-d bidden? Natuurlijk, en bidden deden zij. Maar de situatie vroeg om meer. Het was een test van het Joodse geloof en de trouw aan Hasjem en Zijn Tora. Dit was de tijd om te laten zien dat, hoewel zij klein in aantal en fysiek zwak waren, zij geestelijk sterk waren. Zelfs zo sterk dat zij bereid waren om voor Hasjem en de Tora te vechten en hun leven Al Kidoesj Hasjem, voor de heiliging van G-ds Naam te geven.
Onder de inspiratie en het leiderschap van Matitjahoe en zijn zonen bonden zij openlijk de strijd aan met Antiochus en zijn machtige leger. Zij vochten met totale toewijding. En met G-ds miraculeuze hulp wonnen zij glorieus. G-d zorgde ervoor dat de velen en de machtigen in handen vielen van de weinige en militair zwakke Joodse strijders.
Als wij nu terugkijken naar wat er in die dagen gebeurde, komen wij tot de conclusie dat Antiochus ergens een gevaarlijkere vijand was dan Farao of Haman. Deze laatste twee waren vijanden die hun bedoelingen niet verborgen. Maar Antiochus deed zich voor als een vriend; een vriend die nieuw licht en nieuwe vitaliteit in het Joodse leven wilde brengen. Hij zei tegen hen: “Jullie Joden hebben een kaars en een licht, zoals jullie de Mitswot en de Tora noemen; Maar dat licht is een klein licht en niemand anders in de wereld kan het gebruiken. Ik zal jullie een groot en machtig licht geven waarvan, behalve jullie, alle mensen in de wereld kunnen genieten. Maar jullie moeten wel eerst jullie kleine kaars doven.”
Het Antiochus gevaar is altijd aanwezig; op alle plaatsen waar Joden leven. Zelfs in het Land Israel. Er zijn sterke invloeden van de omgeving die sommige Joden van Tora en Mitswot weglokken. Met nieuwe en aantrekkelijke ideeën en gebruiken. De slachtoffers zijn meestal jonge Joden met geen of weinig Joods onderwijs en achtergrond.
Het is van groot belang om deze misleide jonge mensen te bereiken. Iedereen die bekend is met dit probleem en die er bezorgd over is, kan bijdragen door zelf het goede voorbeeld te geven met een oprechte en liefdevolle benadering. Een klein begin, zoals het beginnen met één Mitswa, kan leiden tot een kettingreactie.
Is dat niet wat de Sjammasj van de Menora, de Chanoeka lamp ons vertelt? “Kijk,” zegt hij “Ik ben slechts een klein kaarsje, maar zie hoeveel kaarsen ik kan aansteken: vandaag één, morgen twee, overmorgen drie, enzovoort enzovoort! Iedereen kan dat!”.
En er is nog een andere gedachte die de Chanoeka lichten naar voren brengt: Een Jood moet niet tevreden zijn om op één plaats in zijn Joods zijn te blijven. Hoe bevredigend dit ook moge zijn, men moet proberen om een hoger niveau te bereiken door meer te leren en meer Mitswot te doen. Dit is de les die we leren van het aansteken van de Chanoeka lichten. De eerste dag steken we één kaars aan en dat is alles wat nodig is. Maar op de tweede avond, als we ouder en wijzer geworden zijn, steken we twee Chanoeka lichten aan en op de volgende avond steken we er drie aan, enzovoorts. Dit is het geval met alle zaken in relatie tot Jiddisjkeit, Tora en Mitswot en niet alleen gedurende de acht dagen van Chanoeka, maar door het hele jaar. Een erg goed en fonkelend Chanoeka toegewenst!
