Parsjat Re’ee in een Notendop

De naam van de parasja “Re’ee” betekent “Zie” en is te vinden in Deuteronomium 11:26.
“Zie,” zegt Mozes tot het joodse volk, “Ik plaats vandaag voor u een zegen en een vloek” – de zegen die zal komen wanneer zij G-ds geboden vervullen, en de vloek als zij die verlaten. Deze moeten worden afgekondigd op de berg Gerizim en de berg Ebal wanneer het volk het Heilige Land binnengaat.
Een Tempel moet worden opgericht op “de plaats die G-d zal verkiezen om daar zijn naam te doen wonen,” waar het volk zijn offers aan Hem moet brengen; het is verboden om op een andere plaats offers aan G-d te brengen. Het is toegestaan elders dieren te slachten, niet als offer maar om hun vlees te eten; het bloed (dat in de Tempel op het altaar wordt gegoten) mag echter niet worden gegeten.
Een valse profeet, of iemand die anderen aanzet tot het aanbidden van afgoden, moet ter dood gebracht worden; een afgodische stad moet vernietigd worden. De herkenningstekens van kosjere dieren en vissen, en de lijst van niet-kosjere vogels (voor het eerst gegeven in Leviticus 11) worden herhaald.
Een tiende van alle producten moet in Jeruzalem worden gegeten, of anders worden ingewisseld voor geld waarmee voedsel wordt gekocht en daar gegeten. In bepaalde jaren wordt deze tiende aan de armen gegeven. Eerstgeboren runderen en schapen moeten in de Tempel worden geofferd, en hun vlees moet door de kohaniem (priesters) worden gegeten.
De mitswa van liefdadigheid verplicht een Jood een behoeftige te helpen met een gift of een lening. In het sabbatsjaar (dat elk zevende jaar valt) moeten alle leningen worden kwijtgescholden. Alle contractarbeiders moeten na zes jaar dienst vrijgelaten worden.
Onze Parsje besluit met de wetten van de drie pelgrimsfeesten-Pesach, Sjawoe’ot en Soekot-wanneer allen moeten gaan om “te zien en gezien te worden” voor G-d in de Heilige Tempel.
Vrij vertaald van chabad.org.
