Parsjat Kie Tawo in een Notendop

De naam van de parasja “Kie Tawo” betekent “wanneer je komt” en is te vinden in Deuteronomium 26:1.
Mosje instrueert het joodse volk: Wanneer jullie het land binnengaan dat G-d aan jullie geeft als jullie eeuwige erfenis, en jullie vestigen het en cultiveren het, breng dan de eerst-gerijpte vruchten (bikkoeriem) van jullie boomgaard naar de Heilige Tempel, en verklaar jullie dankbaarheid voor alles wat G-d voor jullie heeft gedaan.
Onze Parsje bevat ook de wetten van de tienden die gegeven worden aan de Levieten en aan de armen, en gedetailleerde instructies over hoe de zegeningen en de vloeken te verkondigen op de berg Gerizim en de berg Eewal – zoals besproken in het begin van de Parshje van Re’ee. Mosje herinnert het volk eraan dat zij G-ds uitverkoren volk zijn, en dat zij, op hun beurt, G-d hebben uitverkoren.
Het laatste deel van Kie Tawo bestaat uit de Tochacha (“Berisping”). Na een opsomming van de zegeningen waarmee G-d het volk zal belonen als zij de wetten van de Tora volgen, geeft Mosje een lange, harde uiteenzetting van de slechte dingen – ziekte, hongersnood, armoede en ballingschap – die hen zullen overkomen als zij G-d’s geboden verlaten.
Mosje besluit met het volk te vertellen dat zij pas vandaag, veertig jaar na hun geboorte als volk, “een hart hebben gekregen om te weten, ogen om te zien en oren om te horen”.
Vrij vertaald van chabad.org.
