Is Chanoeka een ‘kleine’ feestdag?

Door Tzvi Freeman
Het lijkt alsof Chanoeka een kleiner feestdag is dan bijvoorbeeld Rosj Hasjana of Pesach, en dat we er misschien niet zo’n groot ding van hoeven te maken. Misschien is het alleen maar zo groot geworden vanwege de tijd van het jaar.
Het lijkt inderdaad zo, maar eigenlijk om één reden: in tegenstelling tot Rosj Hasjana, Pesach en andere dagen die in de Tora als echte feest- en rustdagen zijn ingesteld, gaan we op Chanoeka gewoon werken. Zelfs op Poeriem wordt afgeraden om te werken, maar op Chanoeka is dat geen probleem.
En dan zijn er de kleren. Op Joodse feestdagen dragen we speciale kleding. Maar tijdens Chanoeka is het een gewone werkdag, met gewone kleding.
Maar verder is het moeilijk om Chanoeka een klein feest te noemen. Kijk maar wat Maimonides schrijft in zijn wetten van Chanoeka:
“De mitswa om de Chanoeka-lichtjes aan te steken is een zeer kostbare mitswa. Een mens moet zeer zorgvuldig zijn in haar naleving, om het wonder te publiceren en zo onze lof en dank te vergroten tegenover G-d voor de wonderen die Hij voor ons heeft gedaan. Zelfs als iemand niets heeft om van te eten behalve wat hij van tsedaka ontvangt, moet hij zijn kleding verpanden of verkopen om olie en lampen te kopen om ze aan te steken.”
Maimonides gaat verder en zegt dat wanneer iemand alleen genoeg geld heeft voor óf een beker wijn voor de kiddoesj van Sjabbat óf olie voor de Chanoeka-lichtjes, de Chanoeka-lichtjes voorrang heeft. Dat klinkt niet erg ‘klein’, toch?
Sommigen zeggen dat Chanoeka groot is geworden als reactie op alle prikkels en glitter van de feestdagen van de culturen om ons heen. Als dat al zo is, zou het beter zijn om te zeggen dat Chanoeka zijn populariteit behouden heeft dankzij zijn plek op de kalender.
Maar wat zou daar dan erg aan zijn? Het klinkt juist als een slimme strategie: als een grote vis je dreigt op te slokken, beweeg dan, maak lawaai en laat van je horen!
In werkelijkheid heeft Chanoeka inderdaad een periode gehad waarin het minder zichtbaar was. Oorspronkelijk staken Joden de lichtjes aan bij de ingang van hun huis. Toen Joden onder vijandige omgevingen leefden, waren ze gedwongen de menora naar binnen te verplaatsen, uit angst voor hun leven.
In de jaren ’70 begon de Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneerson, met een campagne om grote menorrot openbaar te plaatsen op pleinen en andere zichtbare plekken. Sindsdien wordt Chanoeka weer openlijk en in het openbaar gevierd, in winkelcentra, stadspleinen en overal waar Joden zijn.
En dat is precies waar Chanoeka om gaat: het licht brengen in de duisternis (daarom steken we ook na zonsondergang aan, bij de deur of het raam). Dus zelfs al is het een gewone werkdag, dat is juist het punt: het licht brengen in de gewone werkdag. En dat vereist een bijzonder licht.
En bovendien: sinds wanneer zoeken we redenen om niet te vieren? Integendeel; in de woorden van koning Salomon: “Een goed hart viert altijd.”
