Duisternis eist extra licht

Gebaseerd op een toespraak van de Lubavitcher Rebbe in 5713 / 1952.
De Menora die we aansteken is ter herinnering aan het wonder dat gebeurd is met de Menora in de Beet Hamikdasj (tempel). Opmerkelijk is, dat er enkele duidelijke verschillen zijn tussen de Menora die wij aansteken en die van de Beet Hamikdasj. Zo werd er in de Beet Hamikdasj juist overdag aangestoken, terwijl wij dit doen wanneer het donker is. In de Beet Hamikdasj werd er binnen aangestoken, wij doen het buiten.
Nog een opmerkelijk verschil is dat, toen de Menora in de tijd van de Beet Hamikdasj werd aangestoken, het een rustige en vredige tijd was voor het Joodse volk: geen van de Joodse vijanden zochten oorlog en het Joodse volk leefde op een spiritueel hoog niveau. Daarentegen is de Chanoeka-Menora verbonden aan een tijd dat het land van Israel beheerst werd door de Grieken, het Joodse leger klein was en hun spirituele niveau laag.
In dit laatste verschil ligt de verklaring voor alle andere verschillen. Wanneer het materieel en spiritueel goed gaat, dan is extra licht niet nodig. Maar als er een materieel en spiritueel tekort is, dan is het gewone licht niet meer genoeg en is er extra licht nodig.
Vandaar dat in de tijd van de Beet Hamikdasj, toen er vrede en rust was, het licht van de Menora dat binnen scheen, genoeg was. Wanneer er echter spirituele duisternis heerst, moet de Menora juist buiten worden aangestoken om ook de straten te verlichten.
In de tijd van Galoet (ballingschap) wordt de duisternis door Tora en Mitswot verlicht. Daarom steken wij de Menora pas aan wanneer het donker is, om de duisternis te verlichten.
Dit is ook wat wij in deze tijd moeten doen, wanneer er zoveel duisternis is. We moeten actief naar buiten gaan om het buiten te verlichten, binnenshuis verlichten is niet genoeg. Een persoon verricht deze taak als “ambassadeur” van G-d.
