Hakafot Onder Vuur

Het dansen met de Tora was in volle gang. De mensen in de kleine sjoel zongen een Simchat Tora-melodie en dansten ritmisch in een kring. Er vormden zich nieuwe kringen wanneer sommigen, moe van het dansen, pauzeerden en anderen daarvoor in de plaats kwamen.
Zij hielden elkaar vast bij de hand en schouders. Af en toe werd er een nieuwe melodie ingezet en de dansenden pasten zich aan het ritme aan. Dan weer wat sneller, dan weer wat langzamer. Degenen die uit de kring met dansers stapten, bleven in hun handen klappen en moedigden zo de dansenden aan.
Ik stond in het midden van die kring. Ik was eigenlijk alleen maar gekomen om te kijken. Maar toen ik te dicht bij de dansende kring was gekomen, pakte iemand mij bij de arm en trok me de dansende groep in. In het begin was ik wat onwennig, maar al snel werd ik opgenomen in het ritme en het enthousiasme van de dansenden. Ik voelde mij nu een deel van deze sympathieke mensen die dansten en zich met G’ds mooiste gift, de Tora verheugden. Het was een heerlijk gevoel.
Toen de kring groter en groter werd, merkte ik dat ik steeds meer naar het midden getrokken werd. Ik keek naar achteren om te zien wie mij de kring had ingetrokken. Zijn arm rustte nog op mijn schouder. Hij was een wat oudere man en ik vroeg me af waar hij toch zoveel kracht vandaan haalde om alsmaar te blijven dansen. En nog wel met zijn ogen gesloten. Ik bekeek hem wat aandachtiger. Zijn lippen bewogen, maar zonder geluid. Er stonden zweetdruppels op zijn voorhoofd, op zijn gezicht en tranen kwamen uit zijn ogen. Zijn geluk en opwinding waren van zijn gezicht af te lezen. Ik schaamde me gewoon dat ik mij uitgeput voelde terwijl ik de energie zag die van deze oude man uitstraalde.
Tenslotte waren de hakafot -rondedansen voorbij en de kring brak uiteen. De dansenden gingen zitten en ontspanden zich. Ik ging naast mijn dansende buurman zitten. “Het is lang geleden dat ik zo inspirerend heb gedanst,” zei hij, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wiste.
“Ja, dat doet je goed”, zei ik om het gesprek gaande te houden. Ik voelde dat als de man door zou blijven spreken, het waard zou zijn om naar hem te luisteren.
“Goed!” riep mijn buurman uit. “Jongeman, weet jij wel wat ‘goed’ is? Ben je wel eens zó blij geweest dat je van vreugde moest huilen?”
“Nou eh…”
“Ah! Laat ik jou eens vertellen over hakafot van lang geleden. Dan zul je begrijpen wat ik bedoel…”
Ik was nog nooit zo nieuwsgierig geweest. Mijn buurman moest dat gemerkt hebben, want hij begon meteen te vertellen.
“Het is al heel lang geleden. Het was in de verschrikkelijke dagen van de Eerste Wereldoorlog. Ik woonde toen in Riga, de hoofdstad van de nieuwe onafhankelijke republiek Litouwen.
“Het was Simchat Hatora avond. Wij hadden ons in een kelder in de oude stad verscholen. We konden de kanonschoten horen en het ratelen van de machinegeweren op korte afstand. Duitse soldaten onder leiding van Bermont bevonden zich aan de andere kant van de rivier de Dviena terwijl de stad door de nationale strijdkrachten van Litouwen werd verdedigd. Het stond er voor de nationalisten niet goed voor. Zij verloren terrein en waren tot het uiterste gespannen. Iedereen werd van verraad en spionage verdacht. En wie verdacht werd, werd meteen geëxecuteerd. Tegen de muur, doodgeschoten. Zonder dat er zelfs maar een onderzoek werd ingesteld.”
“Stel je nu die nacht eens voor, zware bombardementen van de vijand aan de andere zijde van de rivier, een bewolkte lucht, een verduisterde stad. Plotseling zien wachtposten licht schijnen door een raam op de bovenste etage van een gebouw. Het licht gaat op en neer en verdwijnt dan. ‘Eindelijk hebben we de spion te pakken!’ denken de wachtposten. Zij rennen naar het gebouw om de spion te grijpen. De trappen op, de trappen weer af. Wij horen hun zware laarzen. Dan stormen ze bij ons de kelder binnen schreeuwende: ‘waar is die vuile spion?!'”
Toen ik mijn wenkbrauwen ophaalde omdat ik het niet begreep, lachte de oude man.
“Je vraagt je af wat die wachtposten in onze kelder moesten doen op Simchat Tora avond? Laat ik jou dan eerst iets over Zalman vertellen. Zijn achternaam was Michelson, maar die kende bijna niemand. Hij stond bekend als Zalman de matrassenmaker. Hij was zo arm als een kerkrat, maar was altijd vrolijk en zorgeloos. Hij was ook heel vroom. Wist niet wat het was om ook maar één moment droevig te zijn. Al helemaal niet als er feestgevierd moest worden. Terwijl hij toch genoeg redenen had om zorgen te hebben: veel monden te voeden, een dochter van huwbare leeftijd, een zieke vrouw. Maar G’d had hem gezegend met een vrolijk, opgewekt karakter en niets was er dat zijn geest kon breken.
“Zalman de matrassenmaker was die nacht bij ons in de kelder. De nacht wanneer van ons Joden wordt verwacht dat wij ons met de Tora verheugen, met de Tora dansen, die nacht zaten wij daar terneergeslagen bij elkaar, depressief, trillend bij weer een explosie was. Zalman kon het niet aanzien. ‘Broeders!’ riep hij uit. ‘Het is vanavond Simchat Tora. Wij moeten blij zijn! Laten wij dan blij zijn!’ Zijn woorden waren tegen dovemansoren gezegd.
“Leek hij eventjes aangedaan, maar toen herinnerde hij zich iets. ‘Vrienden, ik zie dat er hier zonder een druppel schnaps niets gebeurd is. Niet getreurd: boven heb ik nog een fles schnaps staan die ik speciaal voor vanavond bewaard heb. Ik was hem helemaal vergeten! Ik ben zo terug.’
“Wij keken hem verbijsterd aan. ‘Ben jij gek geworden Zalman? Je kunt toch niet helemaal naar boven lopen met al die rondvliegende granaatscherven en kogels, met al dat gebroken glas, voor een flesje schnaps?! Wees verstandig, Zalman. Blijf hier!
“Maar Zalman zei: ‘Wees niet bang, beste mensen. Wij hebben een grote en machtige G’d. Ik ben zo terug en dan zullen we Simchat Tora vieren en dansen zoals het hoort.’ En voordat wij hem konden tegenhouden, was hij verdwenen. Een brandende kaars had hij meegenomen…
“Zalman ging naar de zesde etage waar hij woonde en vond de fles. Hij was zo blij dat hij in zijn kamer met de brandende kaars in zijn ene en met de fles in de andere in het rondte danste. De oorlog en het bombardement vergetend. Tenslotte kwam hij weer bij ons in de kelder terug.
“U kunt zich zeker wel voorstellen wat die wachtposten in het holst van de nacht hadden gezien…U kunt zich zeker wel voorstellen waarom de wachtposten de kelder binnenstoormden, juist op het moment dat wij met de hakafot wilden beginnen… ‘Waar is die vuile spion?!’
“Wij stonden als aan de vloer genageld, sprakeloos. Wij wisten wat het betekende om van spionage verdacht te worden.
‘Lever ons de spion uit of we zullen jullie allemaal laten doodschieten!’ riepen de wachtposten. ‘Iemand heeft zojuist signalen aan de vijand doorgegeven. Het wapenarsenaal is hier slechts een straat vandaan. Jullie joden willen ons zeker allemaal opblazen? Voor de laatste keer: wie heeft die signalen aan de vijand gegeven?’
“Met zijn fles in de handen stapte Zalman naar voren en zei kalm: ‘Jullie hebben mij met een kaars boven gezien, maar ik gaf geen signalen aan de vijand af. Ik…’
“‘Maakt niet uit, meekomen jij!’ en de soldaten namende arme Zalman gevankelijk mee.
“Waren we al terneergeslagen, nu zaten wij helemaal in zak en as. Arme Zalman! Hij zou zonder pardon tegen de muur gezet worden en doodgeschoten. Iedere keer dat wij een salvo geweervuur hoorden, dachten wij: daar gaat Zalman. Wij huilden. Wij namen ons plechtig voor om Zalman’s weduwe en wezen financieel te helpen. Wij zouden voor een joodse begrafenis zorgen een steen op zijn graf als zijn lichaam ons door de autoriteiten zou worden teruggegeven.
“De tijd ging langzaam voorbij. Het leek dat de nacht nooit zou eindigen. We spraken de hele tijd over de arme Zalman en zijn arme gezin. Iedereen had wel iets goeds over Zalman te vertellen; hoe hij iedereen altijd wist op te beuren, hoe hij het middelpunt van ieder feest was, iedere trouwerij. Of hij nu uitgenodigd was of niet, hij was altijd welkom…
“Plotseling hoorden wij voetstappen. Wie denkt u dat er naar binnen liep? Zalman! We konden onze ogen niet geloven. We dachten dat het een geest was. Maar nee, de fles in zijn hand was echt echt. Zalman zag bleek maar hij lachte.
“We renden naar hem toe. Iedereen probeerde hem te kussen en te omarmen. Iedereen had tranen in de ogen. Sommigen spraken de dankberacha uit: ‘Gezegend is Hij Die de doden opwekt…’
“‘Stop! Stop!’ riep Zalman. ‘Ik hou ook van jullie, maar daar is nu geen tijd voor. Laten wij nu Simchat Tora vieren!’ Maar wij wilden daar niet mee beginnen. Eerst moest hij ons vertellen wat er met hem was gebeurd en hoe hij een zekere dood was ontsnapt.
“‘Had ik jullie niet gezegd dat wij een grote en machtige G’d hebben?’ begon Zalman. ‘Nou, toen ik op het hoofdkwartier kwam en voor de wachtcommandant werd geleid, keek deze niet eens naar mij. “Executeren”, was alles wat hij zei. “Wij hebben geen tijd om de zaak te onderzoeken.”
“Ik keek aandachtig de commandant. Er schoot een gedachte door mij heen. ‘Styopka!’ riep ik uit.
“De commandant keek mij aan. Hij begon te lachen. ‘Jij, Zalman, een spion! Ha, ha ha! Wat een grap! Ga zitten. Laten we over de goeie oude tijd praten. Herinner jij je nog dat ik naar jullie huis kwam om op zaterdagochtend de kandelaars te verplaatsen? Om in de winter de haard aan te steken? Ik kreeg altijd een lekker stuk witbrood, laat me eens denken, challe noemen jullie het. Ik was toen een kind, maar jullie behandelden mij alsof ik een volwassene was. Ik mocht jou graag Zalman. Ach, wat waren dat gelukkige tijden in ons kleine, vredige dorp. Maar nu zijn het moeilijke tijden… Je hebt geluk dat ik vandaag wachtcommandant ben. Het was niet eens mijn beurt. Ik moest voor een vriend invallen. Anders zou je nu al dood zijn geweest. Maar vertel mij eens, wat is de bedoeling van de fles? Is het vanavond Poeriem?’
“‘Je zou toch beter moeten weten, Stefan Ivanovisch,’ antwoordde ik. ‘Poeriem is aan het eind van de winter en het is nu pas herfst. Nee, vanavond is het Simchat Tora.’
“‘Ach, natuurlijk. Dat kan ik mij herinneren. Jullie dansen dan, rond en rond in een kring…’
“‘Dat is precies wat wij vanavond van plan waren voordat wij onderbroken werden…’
“‘Oké, ga maar terug naar jullie feest. Bid voor ons, Zalman. Hoe wonderbaarlijk zijn jullie joden. Jullie wagen je leven voor jullie religie, dansend in de schaduw der dood…’
“Dat was Zalman’s verhaal. Hij kreeg een speciale pas om naar ons terug te kunnen komen en mocht die ook in de toekomst tijdens de avondklok gebruiken.
“En toen begonnen we met de hakafot. Oh, die hakafot! Ik zal het nooit vergeten. Altijd als ik Simchat Tora vier, herinner ik mij deze hakafot. Al meer dertig jaar…
Hij begon een melodie te zingen ‘Gooi je voeten van de vloer en verhef je stem met onze Tora, broeder verheug je, verheug je!'”
(Bron: Talks and Tales)
