Een bezoek aan Damascus

In de Tora, in de parasja Lech Lecha, lezen wij over Damascus, over Avraham’s knecht Eliëzer uit Damascus. Hebben jullie je afgevraagd wat voor stad dat was en wat zijn belang was in de Joodse geschiedenis? Laten wij een bezoekje brengen aan deze oude stad, die nu de hoofdstad van Syrië is.
Dat het een heel oude stad is weten wij, omdat hij al genoemd wordt in de tijd van onze voorvader Avraham. Laten wij eens met de bus vanuit Jeroesjalajiem naar het noorden rijden, richting de grens met Syrië. Dit gebied in het noorden was ooit het erfdeel van de stam Dan. Hier hebben dappere Joodse soldaten ongeveer 40 jaar geleden de Syrische gewapende troepen tegengehouden en hen teruggedrongen naar waar zij vandaan kwamen.
Damascus is een kleurrijke stad, waar de tegenstellingen van het Oosten en het Westen elkaar ontmoeten. Hier zie je nog kamelen, ezels, ossenkarren en andere vormen van vervoer uit vroegere dagen zij aan zij naast glimmende moderne auto’s. Je ziet hier nog oude hutten naast moderne flatgebouwen. Sommige mensen kleden zich nog in oosterse, anderen in westerse, Europese kleding. Dit alles wijst erop dat Damascus een belangrijk kruispunt is tussen het Oosten en het Westen. Dat was het vroeger ook al toen veel karavaanroutes via Damascus leidden.
In de Joodse geschiedenis horen we, zoals we al eerder zeiden, in de tijd van Avraham voor het eerst over Damascus. De machtige koning Nimrod had Avraham in een brandende oven gegooid. Omdat Avraham ontkende dat Nimrod een god was en dat zijn afgoden ook maar enige kracht hadden. Door een wonder kwam Avraham, zonder dat hem ook maar een haartje was gekrenkt, uit het vuur. Aldus liet hij zien dat G-d niemand in de steek laat die op Hem vertrouwt.
Nadat Eli’ezer, een prins uit Damascus, dit prachtige wonder dat in Oer der Chaldeeën plaatsvond gezien had, werd hij een van de 200 edelmannen die Avraham volgden. Eli’ezer werd een van de meest vertrouwde en meest toegewijde dienaren in Avraham’s huishouden.
Een volgende keer dat Damascus wordt genoemd is, vele eeuwen later, toen koning David de machtige Syrische koning Chadadezar versloeg. Het koninkrijk van deze laatste strekte tot Damascus tot de oevers van de rivier de Eufraat.
Tijdens de regeerperiode van koning Salomo werd Damascus de hoofdstad van Aram-Syrië. Vanaf die tijd is haar lot vaak verbonden met de geschiedenis van het land Israel. Bijvoorbeeld tijdens de regeerperiode van koning Achab, toen de profeet Elieja naar Damascus gezonden werd om Hazaeel tot koning van Syrië te zalven. Hazaeel was voorbestemd om een belangrijke rol te spelen in de vernietiging van het Huis van Achab en zijn afgoden dienende koningin Iezeebel.
Als wij de lovende woorden van Na’aman, de beroemde Syrische generaal die in de Tenach genoemd wordt, mogen geloven, waren er in Damascus prachtige rivieren. Na’aman was een melaatse en kwam bij Elieja, Elieja’s opvolger, voor hulp. Elieja vertelde hem dat hij zich zeven keer in de Jordaan moest baden. Toen Na’aman dat hoorde, riep hij boos uit: “Zijn de rivieren van Damascus niet beter dan al de wateren van Israël?”
Maar hij liet zich overhalen om de woorden van de profeet op te volgen. Hij dompelde zich zeven maal onder in de Jordaan en was onmiddellijk genezen.
Damascus en grote daar omheen omliggende gebieden werden door Koning Jerobeam II van het noordelijke Israel veroverd. Als gebaar van vriendschap gaf Jerobeam Damascus aan Oezzia, de koning van Juda die hij voorheen onderdrukt had. Ook liet hij alle krijgsgevangenen die hij in Jeroesjalajiem had gemaakt vrij.
Koning Achaz, de kleinzoon van Oezzia, had een heel andere ervaring met Syrië, wiens koning Re’tsien een bondgenootschap tegen hem was aangegaan met Peeka, de koning van Israel. Deze twee koningen versloegen de troepen van Achaz op het slagveld en belegerden Jeroesjalajiem. En hoewel de profeet Jesjaja Achaz opriep om vertrouwen in G-d te hebben en hem beloofde dat zijn vijanden uiteindelijk verslagen zouden worden, wendde Achaz zich uiteindelijk tot Assyrië voor hulp. Koning Ti’glat Pil’èser van Assyrië was maar wat blij met dit verzoek. Hij en zijn machtige leger trokken binnen en versloegen de Syriërs met gemak en namen Damascus in. Jeroesjalajiem kwam zo onder de belegering vandaan en koning Achaz reisde naar Damascus om zijn dankbaarheid en onderdanigheid aan Ti’glat Pil’èser te tonen. Hij bracht zelfs, tot ontzetting van de profeet en de gelovige Joden, een altaar uit Damascus mee, om afgoden te dienen en in de Heilige Tempel te zetten.
Sinds die tijd bleef Damascus eeuwenlang een deel van het Assyrische koninkrijk.
Toen het Romeinse keizerrijk in kracht en omvang groeide, werd ook Damascus door de Romeinen veroverd. Dit was ongeveer 150 jaar voordat zij Jeroesjalajiem in het jaar 3828, bijna 2000 jaar geleden, veroverden en verwoestten. Damascus werd tot een van de meest belangrijke pijlers van het oostelijk Romeinse keizerrijk gemaakt. In die tijd was er een joodse kolonie in Damascus. En ook gedurende de donkere eeuwen van de vroege en late Middeleeuwen, tot vandaag de dag, is er altijd een Joodse gemeenschap in Damascus geweest. Sommige tijden ging het leven beter dan andere tijden. Uit de Talmoed kunnen we opmaken dat de Joden in Damascus zich voornamelijk met de wolhandel bezighielden; velen van hen waren kooplieden.
Nadat het Romeinse keizerrijk zich opsplitste en Damascus deel werd van het oostelijke Byzantijnse keizerrijk, traden de christelijke heersers uitermate vijandig jegens de Joden op. Door deze vervolgingen werden de Joodse inwoners van Damascus arm. Later, onder de heerschappij van de Arabieren, ging het hen beter af. Tijdens de regeerperiode van goedgezinde Mohammedaanse heersers waren veel Joodse families in staat eer en rijkdom te vergaren. Sommigen van hen namen prominente posities in de regering in. Er bloeide in Damascus een grote jesjiwa die nauw contact onderhield met het spirituele centrum van Joodse geleerdheid in Fostad, Egypte.
Toen de Kruisvaarders bloedbaden onder de Joodse gemeenschappen in het Westen en het Oosten aanrichtten, duizenden Joden trokken naar Damascus. Tijdens het hoogtepunt van de Middeleeuwen, leefden er meer dan 12.000 Joden. Het ging hen goed; een bloeiende joodse gemeenschap en een hoog niveau van Tora studie waren het gevolg.
De verdrijving van de Sefardische Joden uit Spanje en Portugal ten gevolge van de Inquisitie, leverde een nieuwe impuls op voor het spirituele leven van de Joden in Damascus. De beste bankiers, dichters en Kabbalisten, waaronder rabbi Chaim Vital, leefden en werkten daar. Deze gelukkige situatie handhaafde zich tot bijna het midden van de 19e eeuw. Door wrede vervolgingen verarmde de Joodse bevolking en nam zij in omvang af. Daarop volgde in 1840 de beruchte Damascus affaire. De Joden werden door lokale ambtenaren en de Franse overheid ervan beschuldigd dat zij een Franciscaner monnik vermoord zouden hebben. Gelukkig, dankzij de interventie van mannen als Sir Moses Montefiore en de Franse diplomaat Isaac Cremieuz kon een ramp voorkomen worden. De valse aantijging bleek ongegrond. Maar de welvaart van de Joden van Damascus was voorbij.
Het is te hopen dat Damascus, een van de oudste steden van de wereld, die zo met onze joodse geschiedenis verbonden is, opnieuw een goede buur zal zijn. Zoals in de beste dagen van weleer.
