Lezen en belevenInzicht en InspiratieHoofdstuk VI: De Beloning

Hoofdstuk VI: De Beloning

Lezen en Beleven

Door Dr. Nissan Mindel

Het geloof in G’ddelijke beloning voor goede daden en straf voor verkeerd doen, is een van de fundamentele doctrines van onze G’dsdienst. Het is het elfde punt in de formulering van de Maimonides.

Het is duidelijk dat, als de G’ddelijke vergelding onmiddellijk zou volgen, de mens beroofd zou zijn van zijn grootste gaven – de vrije wil en de onafhankelijkheid van handelen. Hij zou bang zijn iets verkeerd te doen op gevaar af van een onmiddellijke straf en hij zou verlangend zijn goed te doen uit zelfzuchtige beweegredenen, ertoe gebracht door de compensatie die onmiddellijk op een goede daad zou volgen. Het is overbodig te zeggen, dat dit niet G’d’s idee was betreffende het leven van de mens op deze aarde.

Opdat de mens zijn volle mate van onafhankelijkheid van handelen zou behouden, was het nodig dat de G’ddelijke vergelding verborgen zou zijn, zelfs zozeer dat er twijfel aan zou kunnen ontstaan of ze wel bestond. De vraag ‘Waarom gaat het de slechten goed?’ is dikwijls gesteld en veel mensen geloven ten onrechte dat er in het geheel geen G’ddelijke Voorzienigheid is, maar dat alles bij toeval gebeurt. Maar zij zien over het hoofd dat het ‘bij toeval’ geschieden slechts schijn is; doch deze schijn is noodzakelijk om de vrije wil te waarborgen.

Zelfs daar waar de menselijke geest op zijn best en hoogst is, is er nog steeds een onmetelijke afstand tussen de eindige geest van de mens en de Oneindige Wijsheid van de Schepper. Voor een logisch denkend iemand is het ondenkbaar dat ‘de Rechter van de hele wereld geen recht zou doen’ (Gen. 18:25), en het absolute geloof van Abraham, de eerste Jood, in G’d’s rechtvaardigheid, werd door ons, zijn kinderen, voor altijd geërfd.

Welke vorm neemt de beloning aan? 

Onze Wijzen hebben onderscheid gemaakt tussen twee soorten beloning: de ‘baten’ (Perot – vruchten) en het ‘kapitaal’ (Keren): ‘Dit zijn de dingen waarvan de mens de vruchten plukt in deze wereld, terwijl het kapitaal voor hem bewaard wordt in de toekomstige wereld: het eren van z’n vader en moeder, daden van goedertierendheid, het verzoenen van iemand met z’n medemens, etc.’ (de eerste Misjna van Pea¹).

Maimonides stelt in zijn Commentaar op deze Misjna duidelijk dat iedere gunst die men zijn medemens bewijst, beloning brengt in deze wereld.

Zo’n vergoeding bestaat niet alleen uit een beter wordende maatschappij – immers, de ene goede daad leidt tot een volgende – maar er is ook een speciale individuele vergoeding voor iedere daad van vriendelijkheid die men z’n medemens betoont, mits deze daad ook aannemelijk is voor G’d. (Onechte vriendelijkheid wordt duidelijk buitengesloten.)

‘Het is bekend dat wanneer de mens in zijn hart gevoelens van liefde en barmhartigheid wakker maakt jegens allen die barmhartigheid behoeven, er ’Boven’ eveneens gevoelens van onbegrensde barmhartigheid jegens hem worden opgewekt, waarbij vanuit de Bron van de barmhartigheid en het Leven van alle leven overvloedige weldaden steeds verder afdalen, via de hogere en de lagere werelden, totdat deze G’ddelijke weldaden in deze materiële wereld vorm krijgen in (de zegeningen van) kinderen, leven en levensonderhoud’.²

Dit betekent dat iedere daad van goedertierendheid die gevat kan worden onder de algemene term Tsedaka – liefdadigheid, (of met de woorden van onze Wijzen – gemieloet chasadiem, daden van goedertierendheid) een tegendaad van weldadigheid van ‘Boven’ afwekt (zie eveneens hdst. IV).

Dit voor zover het de ‘baten’ van een mitswa betreft, wat van toepassing is op alle geboden, en in het bijzonder op de plichten van de mens jegens zijn Schepper, zoals Tsitsiet, Loelav, etc. Deze beloning wordt bewaard voor de toekomstige wereld, want ze is zo groot, dat ze niet ‘gekleed’ kan worden in deze oneindige en lichamelijke en eindige wereld. Het is met betrekking tot deze beloning dat onze Wijzen zeiden: ‘De beloning voor een mitswa komt niet in deze wereld’ (Gemara Kidoesjien 39b).³ Zelfs waar in de Tora geschreven staat ‘opdat het U goed gaat’ (Deut. 22:7), zeggen onze Wijzen (Ibid.) dat met deze woorden bedoeld wordt ‘de wereld die helemaal goed is’, dat wil zeggen, de ‘toekomstige Wereld’, die na het leven komt.

Want alle wereldse genoegens kunnen niet opwegen tegen het volbrengen van één enkel voorschrift, zelfs niet wanneer men zich een hele levensduur vol plezier voorstelt, zonder een ogenblik van kwelling of lijden van welke aard ook. Onze Wijzen zeiden (Awot 4:17), ‘Eén ogenblik van genot in de toekomstige wereld overtreft al het genot van het hele leven in deze wereld’. Diezelfde Wijze heeft gezegd (Ibid) dat ‘Deze wereld is als een voorportaal vergeleken bij de toekomstige wereld; bereid u voor in het voorportaal opdat ge de troonzaal mag binnenkomen’. Hetzelfde idee komt tot uitdrukking in het gezegde, ‘Hij die werkt vóór Sjabbat (d.w.z. in deze wereld), zal op Sjabbat eten (in de toekomstige wereld)’ (awoda Zara 3a).

De echte beloning zal dus in het Hiernamaals komen. Maar wat is de aard van deze beloning? Is het denkbaar dat een eenvoudige daad, zoals het leggen van Tefillien, het dragen van Tsitsiet of het geven van geld voor liefdadige doeleinden zou resulteren in zo’n overvloedige vergoeding dat deze hele wereld haar niet kan bevatten?

We zullen de tweede vraag eerst bespreken. Het wordt uitgelegd door de eerste vertolker van het Chabad Chassidisme in de volgende vergelijking:

‘De aarde bezit het groeivermogen om alle vruchten te produceren overeenkomstig hun soort; deze vruchten worden voortgebracht door de zaden in de aarde te planten. Het zaad nu, heeft smaak noch zoetheid; het groeivermogen dat de aarde bezit bevat niet de vorm van de vrucht, aangezien dit vermogen verscheidene vruchten kan produceren, afhankelijk van het soort zaad dat geplant is, tarwe of wijnstok, etc. Door de vereniging echter van het zaad, dat de vrucht in potentie bevat, met de aarde kan het groeivermogen ‘gekleed’ worden in het zaad zodat de juiste vrucht overeenkomstig het zaad geproduceerd wordt.

Hetzelfde is waar voor de geboden die … als zaad zonder smaak zijn, belichaamd als ze zijn in stoffelijke zaken, te weten Tsitsiet die uit wol gemaakt zijn, Tefillien die op perkament staan, etc .; want zij bevatten de Allerhoogste Wil, en doordat het volk Israël de voorschriften vervult en uitvoert, bloeit en groeit de Allerhoogste Wil om onthuld te worden … “4

Hierin ligt de uitleg van de verheven mogelijkheden waarmee ieder voorschrift is belast. Een voorschrift is als een zaadje. Als een klein zaadje in potentie niet slechts de substantie en vorm van één boom kan bevatten, maar van een oneindig aantal bomen – aangezien elk zaadje de zaden draagt voor een verdere groei – is het dan niet denkbaar dat een G’ddelijk voorschrift, hoe klein of onbetekenend het ons ook toeschijnt, evenzo oneindig G’ddelijk ‘licht’ en ‘leven’ bevat? Het voorschrift is de G’ddelijke Wil die de essentie is van het leven; het enige dat vereist is om het potentiële in realiteit te doen overgaan, is de daad van het ten uitvoer brengen van het voorschrift, zoals het leggen van Tefillien of het aandoen van het Talliet, hetgeen overeenkomt met de daad van het zaaien van het zaad in de aarde.3

Door het ten uitvoer brengen van een voorschrift zaaien we dus het zaad, waarvan we de vruchten zullen oogsten in de toekomstige wereld in de vorm van de echte en eeuwigdurende beloning.

We komen er nu toe de aard van deze beloning, die voor ons bewaard wordt in de toekomstige wereld, te beschouwen.

De aard van deze beloning is het genot de Essentie van G’d waar te nemen6, iets waartoe wij niet in staat zijn in deze wereld. Op het moment zijn onze ogen van vlees en bloed slechts in staat stoffelijke zaken te zien Wij zijn niet in staat de G’ddelijke ‘vonk’ te zien die bestaan en leven geeft aan alle dingen die ons omringen. We zijn in staat de uitwendige vorm, maar niet de inwendige essentie van een ding te zien. In het Hiernamaals echter, zal ons het vermogen gegeven worden G’d in Zijn meer ware Essentie te zien, en dit genot is iets wat we ons zelfs niet kunnen voorstellen.

Over dit genot zegt Maimonides: 

Zoals de blinde de kleurschakering niet kan zien, noch de dove de toon van het geluid kan horen, zo kan het vergankelijke lichaam de geestelijke geneugten (welke verkregen worden in het Hiernamaals) niet begrijpen, die voortdurend en eeuwigdurend en ononderbroken zijn; deze geneugten hebben niets gemeen met noch welke betrekking dan ook tot het genot dat verkregen wordt van stoffelijke zaken. De aard van dit genot is het vatten van de Essentie van de Schepper … in het Hiernamaals, waar onze zielen wijs worden met de kennis van de Schepper; dat genot is ondeelbaar, niet te beschrijven, en er is niets dat er enige gelijkenis mee vertoont; er kan slechts over gesproken worden met de woorden die de profeet gebruikte, toen hij zijn bewondering wilde uitdrukken voor deze eeuwige vreugde, ‘Hoe overvloedig is Uw goedheid!’ (Psalmen 31:20) – dit is het eeuwig goede en het uiteindelijke doel (van het leven op deze aarde) …’.7

Betreffende het onderwerp beloning is Nachmanides 8 van mening dat de tijd van de ‘Opstanding’ de uiteindelijke ‘Olam-haba’ (toekomstige wereld) is waarna er geen dood meer zal zijn en dat het ‘Hiernamaals’, dat aan deze wereld voorafgaat, de overgangsperiode is tussen de dood en de tijd van de Opstanding van de doden. Hoewel het geestelijke genot en de geestelijke beloning van de aard en gradatie zijn zoals Maimonides ze beschreven heeft (hierboven geciteerd), voorzover ze beschreven kunnen worden, overtreft de Opstanding, het hoogtepunt van de Schepping, zelfs in oneindige mate het ‘Hiernamaals’ (of Paradijs) wat het geestelijke genot en de G’ddelijke onthulling betreft.9

Betreffende deze kwestie neemt Chabad het gezichtspunt van Nachmanides aan, omdat het ook het gezichtspunt is van de Kabbala10. Bovendien verklaart Chabad de schijnbare tegenspraak dat er een grotere mate van begrip van G’d kan zijn terwijl de ziel in een lichaam gekleed is, dan wanneer ze er vrij van is. De reden is, dat de aard van het ‘Gan-Eden’ (Paradijs) zodanig is dat de ziel ‘de glorie van de Sjechiena’11 geniet en vat. Een ziel, nu, is iets dat door G’d geschapen is en geen schepsel, zelfs niet een engel, kan volledig de Essentie van G’d vatten.12

Want ook in de hoogste werelden wordt het G’ddelijke ‘Licht’ afgeschermd, aangezien ze het anders niet zouden kunnen verdragen en daarom geen bestaan zouden kunnen hebben.13 De studie van de Tora echter en het vervullen van G’ddelijke voorschriften ten tijde dat de ziel in het lichaam huist, stellen de mens in staat een mate van G’ddelijke openbaring te bereiken, zo hoog als mogelijk is in deze wereld en tegelijkertijd geven ze het volk Israël de kracht om deze G’ddelijke openbaring – zonder enige afscherming – in de toekomstige wereld na de Opstanding te verdragen. Met dit doel heeft G’d het volk Israël de Tora gegeven, die ‘kracht’ genoemd wordt. (En iets dergelijks was al gebeurd van de Tora op de Berg Sinai).14

Wanneer de dagen van de Messias zullen komen en in het biezonder wanneer de doden weer zullen opstaan, zal de wereld haar hoogste volmaaktheid bereikt hebben, iets waarvoor ze oorspronkelijk geschapen was.

Dan zal het volk Israël, zelfs met ogen van vlees en bloed, de Essentie van de Schepper waarnemen, zoals geschreven staat (Jesaja 30:20), ‘En Uw Meester zal Zichzelf niet langer verbergen, en Uw ogen zullen Uw Meester zien.’ Door dit overvloedige licht dat er dan is voor het volk Israël zal de duisternis van de hele wereld verlicht worden, zoals geschreven staat (Jesaja 40:5), ‘En de glorie van G’d zal geopenbaard worden en alle vlees zal zien … ‘15

Men zal nu begrijpen waarom de ziel ‘naar beneden’ gestuurd wordt om in een lichaam te huizen, ondanks het feit dat het voor de ziel een grote achteruitgang betekent om de aanwezigheid van de Sjechiena in de Hoogte te verlaten en naar beneden te komen om te leven in een stoffelijke wereld, waar het Licht van G’d uiterst verborgen is. Geen wonder dat de ziel dat onwillig doet, aangezien de ziel zelf volmaakt is en geen tuchtiging terwille van zichzelf nodig heeft in dit aardse leven.

Maar het algemene doel van de afdaling van de ziel naar deze aarde is om de wereld te ‘herstellen’ en haar te veranderen van een stoffelijke in een geestelijke, waar het G’ddelijke Licht geopenbaard zal worden zonder enige ‘afscherming’ en om de aardse stof aan de geestelijke vorm te onderwerpen, teneinde ‘deze wereld tot een verblijfplaats voor G’d te maken’. Door het in acht nemen van de Tora en de geboden zuivert een Jood zijn eigen aardse lichaam, wat hem in staat stelt met G’d te communiceren en tegelijkertijd zuivert hij ook zijn ‘deel’ in deze wereld, en bereidt hij het voor op zijn hoogste volmaaktheid in de ‘toekomstige wereld’ wanneer de geest van het kwaad uitgeroeid zal zijn en ‘De glorie van G’d geopenbaard zal zijn’, en ‘De gehele aarde gevuld zal zijn met G’d’s glorie’.¹⁶

Noten (Hoofdstuk 6)

  1. Zie eveneens Gemara Sjabbat 127a. 
  2. Iggeret Hakodesj 17
  3. Ibid. hdst. 3. 
  4. Tora Or (zie noot 9, hdst. V), Sjemot. 
  5. Ibid. 
  6. Verg. Koezarie 1:109, en volgende. 
  7. Maimonides, Commentaar op de Misjna, Sanhedrin hdst. Chelek. 
  8. Sjaär Hagemoel. 
  9. Hierin verschilt Nachmanides van mening met Maimonides, die gelooft dat het tijdperk van de wederopleving (van de doden) een overgangsperiode is voor de Olam Haba (Zie Maimonides; Hilchot Tesjoewa, hdst. 8, 9; eveneens Hilchot Melachiem, hdst. 11, 12). 
  10. Derech Mitswotecha (zie noot 8, hdst. V), Tsitsiet.
  11. Iggeret Hakodesj, 17. 
  12. Tanja, hdst. 36. Iggeret Hakodesj 23
  13. Tanja, hdst. 36. 
  14. Ibid. 
  15. Ibid.
  16. Ibid. hdst. 37.