Lezen en belevenInzicht en InspiratieHoofdstuk IV: De Bron van het Leven

Hoofdstuk IV: De Bron van het Leven

Lezen en Beleven

Door Dr. Nissan Mindel

G’d geeft bestaan en leven aan de wereld en aan alles wat bestaat. Hij is de Bron van alle Leven.

Iedereen en alle bestaande dingen hebben een G’ddelijke ‘vonk’ die ze bezielt en doet bestaan. Zou G’d ze ontdoen van deze G’ddelijke ‘vonk’, dan zouden ze tot niets worden. Deze ‘vonk’ wordt Koach Hapo’eel Banif’al genoemd – ‘de kracht van de Schepper werkzaam in het geschapene’. Deze vonk is als een steen die naar boven in de lucht schiet, die haar koers volgt zolang de kracht van de hand die haar wierp nog werkzaam is; als deze kracht ophoudt, valt de steen terug op de grond. Aangezien G’d de dingen uit niets geschapen heeft (creatio ex nihilo), kunnen de geschapen dingen evenzo slechts bestaan zolang de G’ddelijke kracht die ze schiep, in hen gehandhaafd wordt. Dit is de betekenis van de woorden die we in ons dagelijks ochtendgebed zeggen, ‘Hij, Die in Zijn goedheid elke dag, voortdurend, het werk van de Schepping hernieuwt’. Met andere woorden, er is een voortdurende stroom van ‘leven’ vanuit de Bron van alle leven – van G’d – naar deze aarde1.

Het welzijn van de wereld hangt af van het vervullen van het G’ddelijke doel van de Schepping – nl. Dat ze dient als ‘een woonplaats’ voor Hem, en deze toestand kan slechts tot stand gebracht worden door het vervullen van de G’ddelijke voorschriften. Met andere woorden, door het vervullen van de G’ddelijke voorschriften doen wij een grotere stroom ‘leven’ op deze wereld afdalen vanuit de Bron van het Leven.

Want alle dingen bestaan door de Wil van G’d; de voorschriften zijn de Wil van G’d; de Wil van G’d is de oorzaak van deze wereld; hieruit volgt dat de voorschriften de bron van het leven zijn.

Dit betekent dat, wanneer we de G’ddelijke voorschriften vervullen, we G’ddelijke welwillendheid voor onszelf en de wereld rond ons tevoorschijn roepen. En hierin ligt de speciale betekenis van elk afzonderlijk voorschrift, een betekenis die bepaald wordt door de speciale ‘reaktie’ die het voorschrift teweeg brengt. Want alle voorschriften hebben, hun tegenhanger ‘Boven’. Wanneer we zeggen, hun tegenhanger ‘Boven’. Wanneer we bijvoorbeeld onze hand uitstrekken om de arme mens een gift te geven, dan is het zo dat G’d ‘Zijn hand uitstrekt’ om ons en de wereld vriendelijkheid te schenken; wanneer we de minder gelukkigen meelevend beschouwen, dan is het zo dat G’d ons en de wereld om ons heen ‘meelevend beschouwt’. Natuurlijk moeten we dit niet letterlijk opvatten, want in het G’ddelijke Wezen is geen lichamelijkheid, maar de ‘reaktie’ is er desalniettemin. Bovendien wordt deze ‘reaktie’, nl. dat G’ddelijke welwillendheid neergebracht wordt door het vervullen van de G’ddelijke voorschriften, teweeggebracht, of we nu wel of niet weten wat de ‘reaktie’ is met betrekking tot elk voorschrift in het bijzonder.

Hetzelfde is het geval, wanneer we geen van de verboden overschrijden, waarbij de daardoor veroorzaakte ‘reaktie’ het opwekken is van overeenkomstige G’ddelijke krachten om de wereld te ontdoen van alle kwaad. 

Zodoende heeft het vervullen van de G’ddelijke voorschriften een tweeledige uitwerking: aan de ene kant verheft het alle lichamelijke zaken tot het hoogst mogelijke niveau en tegelijkertijd doet het G’ddelijke welwillendheid op deze wereld neerkomen.

We weten misschien niet hoe en in welke vorm deze G’ddelijke ‘reaktie’  teweeggebracht wordt, maar we kunnen er zeker van zijn dat de inachtneming van ieder voorschrift en het zich houden aan elk verbod een G’ddelijke ‘reaktie’ oplevert, die ons leven, welwillendheid en waar geluk brengt zowel in deze wereld als in de toekomstige.

Alhoewel dit misschien diegenen die veraf staan van de studie van de toa en het in acht nemen van de dagelijkse voorschriften als een abstrakt idee klinkt, is het iets feitelijks voor hen die wel de tora bestuderen en de voorschriften in acht nemen, want zij voelen een innerlijk geluk en een geestelijke bevrediging die niet met woorden uitgelegd, maar die gevoeld moeten worden kan worden om op hun juist waarde te kunnen worden geschat.

Dit G’ddelijke Licht in z’n onthulde of waarneembare vorm, zoals men dat over zichzelf brengt door het vervullen van de G’ddelijke voorschriften, wordt over het algemeen de ‘Sjechiena’ genoemd (G’ddelijke Aanwezigheid).

‘Sjechiena is ontleend aan de woorden ’Ik zal wonen tussen hen in’ (Ex. 25:8), want het is de aanvankelijke straling van het G’ddelijke Licht, dat in de werelden onthuld wordt, en van deze straling komt de individuele graag van licht en leven tot alle dingen (geschapen) overeenkomstig wat hun toekomt … Het leven en licht voortkomend uit de Sjechiena is er louter in de vorm van straling, zoals het licht dat van de zon komt (dat niet de zon zelf is); maar de Sjechiena zelf – die de oorsprong en de bron van het onthulde licht is – is iets, wat de (eindige) werelden niet kunnen verdragen. Als ze het licht van de Sjechiena zelf zouden ontvangen, zonder dat het beschermd en verborgen zou in een ‘kledingstuk’, zouden ze ophouden te bestaan, omdat ze zouden worden ‘geabsorbeerd’ in hun bron, zoals de stralen van de zon aan de bron verloren gaan in de zon zelf, aangezien daar geen zonnestralen gezien kunnen worden, maar slechts het zonnelichaam.

Wat is dat ‘kledingstuk’ dat de Sjechiena kan verbergen en zo ‘kleden’ dat het licht verdragen kan worden? Het zijn G’d’s Wil, Wijsheid, etc., die ‘gekleed’ zijn in de Tora en haar voorschriften… en samen daarmee komt de Sjechiena…’²

‘Wanneer iemand de Tora bestudeert, worden zijn ziel en zijn spraak- en denkvermogen door het G’ddelijke Licht geabsorbeerd en verenigd met het G’ddelijke Wezen in een absolute eenheid; de Sjechiena rust op zijn G’ddelijke ziel. Zoals onze Wijzen zeiden (Awot 3:6), ’Zelfs waar een enkele persoon bezig is met de studie van de Tora, is de Sjechiena bij hem’! Maar teneinde het licht en de straling van de Sjechiena ertoe te brengen ook op het lichaam en de ‘dierlijke ziel’ te rusten … is het noodzakelijk de voorschriften te vervullen die door het lichaam zelf gedaan worden, opdat de kracht van het (stoffelijke) lichaam ook opgaat in het G’ddelijke Licht en de G’ddelijke wil, en verenigd wordt met hem in een volmaakte eenheid. Dit is de (funktie van de) derde uitingsform van de G’ddelijke ziel – de daad.

Deze toegenome G’ddelijke onthulling, teweeggebracht door het ten uitvoer brengen van een voorschrift of door het bestuderen van de Tora, betekent natuurlijk niet een meervoudigheid of verandering in het G’ddelijke wezen. Zoals uitgelegd wordt in Sanhedrin (39a): Een zekere atheïst vroeg Rabban Gamliël, ‘U zegt dat waar tien Israëlieten bijeen zijn, de Sjechiena zich bevindt; hoeveel Sjechiena’s hebt u wel’? Waarop Rabban Gamliël antwoordde met een vergelijking met de zonnestralen die vele ramen binnenkomen, enz. 3.

Uit wat in dit hoofdstuk gezegd is, zal de betekenis van de woorden ‘’Ze (de Tora) is een boom van leven voor diegenen die haar stevig vasthouden’ (Prov. 3:18) beter begrepen worden. Hierin ligt het geheim van de eeuwigheid van de Jood, het geheim van zijn overleven, de kracht van zijn geest. Dat is waarom er, zolang de Jood trouw is aan zijn Tora en geloof, geen macht ter wereld is, die het Joodse volk kan vernietigen.

Noten (Hoofdstuk 4)

  1. Shaär Hajichoed Wehaemoena, hdst. 2. 
  2. Tanja, hdst. 35, 52. 
  3. Ibid. hdst. 35.