Lezen en belevenInzicht en InspiratieDe Mitswot – Een filosofische verhandeling over de betekenis van de geboden| Inleiding

De Mitswot – Een filosofische verhandeling over de betekenis van de geboden| Inleiding

Lezen en Beleven

Door Dr. Nissan Mindel

De Joodse G’dsdienst regelt ieder stadium van het leven en werken van de Jood, van de wieg tot het graf. De Joodse G’dsdienst is niet iets dat los staat van of toegevoegd is aan het Joodse volk; het is de essentie zelf van het Joodse volk, zowel zijn levenswijze als zijn  leven, omdat Joods bestaan zonder de Joodse G’dsdienst eenvoudig ondenkbaar is.

De Joodse G’dsdienst werd bijna gelijktijdig aan het volk gegeven met z’n vrijheid als een onafhankelijke natie. 

De G’ddelijke Openbaring op de Berg Sinai had slechts zeven weken na de Uittocht van het volk Israël uit Egypte¹ plaats.

De G’ddelijke Openbaring op de Berg Sinai vond plaats in aanwezigheid van het hele volk Israël. 600.000 mannen, tussen de 20 en 60 jaar oud, waren getuige van de gebeurtenis, behoudens de vrouwen en kinderen (van boven de 60), en de menigte vreemde slaven en edelen die het volk Israël begeleidden ten tijde van de Uittocht. Alles bij elkaar waren er verscheidene miljoenen ooggetuigen van het Geven van de Tora op de Berg Sinai. Dus is het vaste geloof van de Jood in de Tora en in een geopenbaarde G’dsdienst, niet een zaak van simpel geloof, maar een van absolute overtuiging. Om Maimonides te citeren (Hilchot Jesodee Hatora, Hdst. 8):

‘Niet wegens de wondertekenen die Mozes deed, geloofde het volk Israël in Mozes… maar bij de Openbaring op de Berg Sinai, toen onze eigen ogen – en niet die van een vreemde – zagen; toen onze eigen oren – en niet die van een ander – hoorden, het vuur, de donder en de bliksem binnentrad en de wolk binnentrad en de Stem tot hem sprak en we hoorden, ’Van aangezicht tot aangezicht heeft G’d tot je gesproken…’, waren zij tot wie Mozes gezonden was, getuigen van zijn profetie…’.

Maimonides gaat verder en zegt dat als een of andere ‘profeet’ zou trachten de profetie van Mozes te weerleggen door enig soort van ‘bewijs’, dat we dan niet naar hem moeten luisteren, want het zou hetzelfde zijn alsof iemand zou trachten ons te overtuigen, tegengesteld met onze eigen ogen en oren. We zouden zijn ‘bewijs’ moeten beschouwen als niets anders dan bedotterij en bedrog.

De schrijver van Sefer Hachinoech² zegt in zijn voorwoord:

‘Het is een vaste werkwijze van alle beschaafde volkeren in de wereld de getuigenis van twee of meer getuigen als een afdoend bewijs te beschouwen, zelfs als iemand dan ter dood veroordeeld wordt… Dat is de reden dat G’d de Tora aan het volk Israël gaf in aanwezigheid van 600.000 mannelijke volwassenen, zodat ze getuigenis van het feit zouden kunnen afleggen’.

‘En voor de generaties vanaf de Openbaring op de Berg Sinai tot aan onze tijd, al die generaties Joden, die zelf de Openbaring niet meegemaakt hebben maar erover gehoord hebben van hun vaders en grootvaders, voor die generaties is het aanvaarden van de Tora niet slechts een zaak van vertrouwen en traditie, maar een feit, waarvan de authenticiteit doorlopend bevestigd is door de dagelijkse gebeden en het in acht nemen van de geboden door het hele volk Israël, generatie na generatie’.³

De schrijver van Sefer Hachinoech betoogt dat het dwaas en onredelijk is wanneer iemand dit historische bewijs verwerpt en besluit het geheel zelf te beredeneren. Menselijke onderzoekingen hebben niet eens de geheimen van de fysische krachten die in de natuur verborgen zijn, doorgrond, laat staan dan de metafysische, die grotendeels buiten het bereik van het menselijk intellekt liggen.

De fundamentele punten⁴ betreffende de Tora en de G’ddelijke voorschriften zijn: dat G’d, Die de Tora aan het volk Israël heeft gegeven door middel van Mozes, de Eerste Oorzaak is – zonder begin of einde – Die alle bestaande dingen geschapen heeft uit niets (creatio ex nihilo) en dat er niets is wat Hij niet kan doen; dat Hij geen helpers heeft van welke soort ook; dat Hij alle daden van de mens kent en hem beloont overeenkomstig diens daden; dat de mens door het in acht nemen van G’d’s geboden een eeuwigdurend geluk zal verdienen; dat de Tora gegeven werd samen met de uitleg ervan, dezelfde die we nu hebben door overlevering van Talmoed (zowel de Babylonische als de Palestijnse) en in de verscheidene andere werken van de vroege Joodse wijzen zoals Sifri, Sifra, Tosefta en Mechilta enz. 5.

De Tora bevat 613 G’ddelijke geboden, die betrekking hebben op elke mogelijke fase van het Joodse leven. Deze wetten worden verdeeld in 248 geboden – moet, en 365 verboden – moet niet. Eerstgenoemde, zeggen onze wijzen (Tanchoema Hakaddoem Tetsee; Gemara Makot 23b), zijn in aantal gelijk aan het aantal organen van het menselijk lichaam; laatstgenoemde aan het aantal bloedvaten (en ook aan het aantal dagen van het zonnejaar). Oppervlakkig gesproken kan men zeggen dat het aantal van de positieve en negatieve geboden belangrijk is, omdat ieder G’ddelijke plicht vervult. Wanneer we de 248 geboden in acht nemen en wanneer we geen enkele van de 365 verboden overschrijden – zoals we nu geneigd zouden kunnen zijn te doen ten gevolge van het verlangen dat onverbrekelijk met het bloed verbonden is – blijft elk van onze bloedvaten vrij van verontreiniging. Door alle G’ddelijke voorschriften in acht te nemen veroorzaken wij dus dat het gehele menselijke organisme zich verheft boven het peil van het dierenrijk en dat het het hoogste vlak van de menselijke volmaaktheid bereikt.

De 613 G’ddelijke geboden zijn slechts de voornaamste wetten van het wetboek van de Jood. Elk van deze wetten bestaande uit verschillende voorschriften die staan in de Mondelinge Leer (Talmoed, etc.), die we nu in een gerangschikte en beknopte vorm hebben in de Sjoelchan Aroech⁶. Deze wetten zijn definitief; zij kunnen niet veranderd worden en iedere hervorming van de Joodse religie is in strijd met de geest van de Tora en het Jodendom.

Overeenkomstig hun directe doel worden de geboden⁷ over het algemeen geklassificeerd in twee hoofdgroepen: a) Wetten betreffende menselijke relaties, en b) Wetten betreffende de plichten van de mens tegenover de Schepper.

Alhoewel de ethische waarde van de wetten betreffende menselijke relaties, zoals ze vastgesteld zijn door de Tora, zelfs niet bestreden wordt door diegenen die niet geneigd zijn te geloven in een geopenbaarde religie, zijn vele wetten betreffende het dagelijkse gedrag van de Jood moeilijk te begrijpen zelfs voor hen die bereid zijn de Tora te aanvaarden als het woord van G’d. Voor de oningewijden lijken sommige wetten misschien irrationeel en uit de tijd in de huidige wereld. Iedereen echter met enig idee van het algemene gewicht en doel van de geboden, zal beter weten. Wanneer men verklaart te geloven in G’d en in een geopenbaarde G’dsdienst, maar tegelijkertijd de geboden kiest overeenkomstig zijn eigen oordeel, dan doet men, volgens Maimonides, er aanspraak op, ‘volmaakter dan de Schepper’8 te zijn.

Het is duidelijk dat de twee groepen a) en b) die hierboven vermeld staan onderling nauwe betrekkingen hebben en onderling afhankelijk zijn. Want wanneer ethiek en moraal niet gebaseerd zijn op het idee van G’d en de Tora, zijn ze op z’n minst gezegd abstrakte ideeën, die geen criterium hebben waaraan ze getoetst kunnen worden. Ethiek wordt een betrekkelijk en veranderlijk begrip: wat door de een als ‘ethisch’ beschouwd wordt, wordt door de ander als ‘onethisch’ gezien en wat door de vorige generatie als ‘zedelijk’ beschouwd is, wordt door de huidige misschien als ‘immoreel’ ervaren. Men kan zonder meer stellen dat het scheiden van ethiek en religie de wortel vormt van het kwaad dat de ene wereldramp na de andere veroorzaakt heeft.

Aan de andere kant betekent ‘vroomheid’ een trouw blijven aan G’d en een navolgen van G’d, wat achtereenvolgens betekent dat men zoekt en in praktijk brengt een liefhebbende vriendelijkheid, oordeelvelling en rechtvaardigheid. Maar er kan geen werkelijke ‘vroomheid’ zijn, tenzij men zich strikt houdt aan de wetten betreffende de menselijke relaties, zoals ze door Tora voorgeschreven zijn.

Door de geboden op zijn eigen wijze in veertien⁹ groepen te klassificeren maakt Maimonides duidelijk, dat alle G’ddelijke voorschriften, zonder uitzondering, een doel hebben, nl. de vervolmaking van het lichaam en de ziel, aangezien een zuivere ziel zich alleen maar in een zuiver geweten kan bevinden.¹⁰

Het is onnodig te zeggen dat het welzijn van het lichaam alleen maar verkregen kan worden als het wordt nagestreefd op een manier die wordt voorgeschreven door de Tora, waarin de wetten die betrekking hebben op deze zaak zo zorgvuldig en precies mogelijk behandeld worden. Deze wetten, met inbegrip van die betreffende Kasjroet, het houden van de Sjabbat, liefdadigheid en alle sociale en ethische voorschriften, vormen het grootste deel en de kern van de Tora en leiden tot werkelijke morele volmaaktheid. Men kan echter de hoogste volmaaktheid niet anders bereiken dan door het vervullen van alle voorschriften die in de Tora staan.

In zijn slotopmerkingen bij de Gids zegt Maimonides:

‘…de volmaaktheid welke de mens in werkelijke roem kan dragen, wordt door hem bereikt, wanneer hij zich heeft verworven – voorzover dit voor de mens mogelijk is – de kennis van G’d, de kennis van Zijn Voorzienigheid en van de manier waarop deze Zijn schepsels beïnvloed in hun voortbrengselen en voortbestaan. Wanneer hij zich deze kennis heeft verworven, zal hij vast van plan zijn altijd liefhebbende vriendelijkheid, oordeelvelling en rechtvaardigheid te zoeken en zo G’d na te volgen’.

Hier zien we wederom hoe in Maimonides’ uiteenzetting de twee groepen wetten, nl. die betreffende de menselijke relaties en die betreffende de plichten van de mens tegenover de Schepper, in wisselwerking staan en in een cirkel werken.

In de citaten van Maimonides die hierboven staan, kunnen we ook het idee vinden, dat het ten uitvoer brengen van de voorschriften van wezenlijk belang is als een middel om een helder verstand en een hoger begrip van G’d te krijgen, een begrip dat ook herhaaldelijk in de Chabad-filosofie benadrukt wordt. Want de voorschriften zijn de Wil van G’d en aangezien ’G’d’s Wil en Zijn Essentie een enkelvoudige eenheid vormen’¹¹, bereikt men de hoogste eenwording met G’d door Zijn geboden te gehoorzamen.

Bovendien wordt, zoals we later zullen zien (Hoofdstukken II en VII), deze eenwording met G’d door het in acht nemen van de voorschriften bereikt, ongeacht het feit of degene die ze in acht neemt wel of niet de diepere betekenis ervan ‘begrijpt’.

In de loop van de volgende verhandeling zal een analyse worden gemaakt van de algemene betekenis en doelstelling van de G’ddelijke geboden. Deze algemene betekenis en doelstelling zijn door de schrijver afgeleid uit de voornaamste bronnen van de Chabad filosofie. Er zal niet getracht worden de betekenis van één op zichzelf staand gebod uit te leggen; evenmin maakt de schrijver er aanspraak op in de loop van deze korte verhandeling een uitputtende analyse te verschaffen van alle geheime betekenissen en funkties van de G’ddelijke voorschriften, waarover geschreven is: ‘Mijn gedachten zijn niet gelijk aan uw gedachten’ (Jesaja 55:8) en ‘Kunt ge dan door te zoeken G’d ontdekken?’ (Job 11:7).¹²

Hopelijk echter, zal deze korte schets het de leek toch in hoge mate mogelijk maken de diepere betekenis van de G’ddelijke voorschriften in het algemeen te begrijpen.

Noten (Inleiding):

  1. De Uittocht vond plaats op 15 Niesan 2448 (1312 voor de gewone jaartelling). De Openbaring op de Berg Sinai vond plaats op 6 Siewan, zeven weken later. 
  2. Boek van de Opvoeding, een werk betreffende de grondregels van het Jodendom – gerangschikt overeenkomstig de wekelijks gelezen delen van de Tora – dat de grondregels van hun waarde uitlegt. De schrijver, Rabbi Aharon Halevi van Barcelona leefde in de 13e eeuw (hij stierf omstreeks 1290). 
  3. Derech Emoena, pag. 127, N.Y. 1955, door Rabbi Menachem Mendel uit Lubavitch (1789–1866), kleinzoon van Rabbi Shneur Zalman; hij staat bekend onder de naam de ‘Tsemach Tsedek’. 
  4. Voor een meer uitputtende studie over dit onderwerp zie Maimonides, Commentaar op de Misjna, Sanhedrin hdst. Chelek; eveneens Sefer Haikkariem door Jozef Albo, Emmoenot Wedeot door Rav Saadja Gaon, etc. 
  5. Sefer Hachinoech, inleiding. 
  6. Gedekte Tafel, samengesteld door Rabbi Jozef Caro (1488–1575), aangevuld in de Mappa (‘Tafelkleed’) door Rabbi Mozes Isserles (Remo), een tijdgenoot. 
  7. Deze klassificatie is zeer oud, zoals bv. in de laatste Misjna van Joma: ‘Voor overtredingen die begaan zijn door de mens tegenover G’d, schenkt de Grote Verzoendag vergeving, maar voor overtredingen begaan door de mens tegenover zijn medemens, schenkt de Grote Verzoendag slechts vergiffenis als hij het met zijn medemens heeft bijgelegd.’ 
  8. Maimonides, Gids, III XXXI.
  9. Ibid. XXXV. 
  10. Ibid. XXVII. 
  11. Maimonides, Hilchot Jesodee Hatora, 2:10. 12. Tanja hdst. 2. De Tanja (de naam is ontleend aan het eerste woord van het boek) is het voornaamste filosofische werk van Rabbi Shneur Zalman van Liadi, waarin de grondbeginselen van het Chabad Chassidisme uiteengezet worden. Het wordt ook wel genoemd Likoetee Amariem (Verzameling Gezegden) of Sefer-sjel-Benoniem (Boek van de Gemiddelden). Voor het eerst gepubliceerd in 1797, zeer veel keren herdrukt en o.a. in het Engels en het Frans vertaald. De beste verbeterde uitgave werd in 1900 in Wilna gepubliceerd, welke zonder verandering vele keren herdrukt is. Een nieuwe Engelse uitgave, met noten en commentaren, is in 1975 verschenen.
    De schrijver, Rabbi Shneur Zalman ben Baroech, talmoedist, wetsgeleerde en filosoof, stichter van het Chabad Chassidisme en schrijver van de (Rav’s) Sjoelchan Aroech, werd in 1745 te Liozna in Rusland geboren en stierf in 1813 bij Koersk in Rusland. Andere werken van hem zijn onder meer Tora-Or (Licht van de Tora), Bioeree Hazohar (commentaren op de Zohar), Siddoer met commentaren etc. Zie voor een lijst van de Chassidische werken van de vroege generaties van Chabad leiders: Some Aspects of Chabad Chassidism, blz. 28-29. (Zie noot 5, hdst. II).