Hoofdstuk I: Zelfbeperking en G’ddelijke Discipline

Door Dr. Nissan Mindel
Discipline, of dat nu in het leger, op school of thuis is, heeft tot doel dusdanige voorwaarden te scheppen, dat de best mogelijke resultaten bereikt kunnen worden. De soldaat, de student of het kind begrijpt misschien niet de noodzaak van alle, uiterst precieze regels en voorschriften waaraan hij onderworpen is. Op het eerste gezicht lijken zij misschien niets anders dan beperkingen van zijn persoonlijke vrijheid. Desondanks is het even nuttig voor hem zich aan dit wetboek te onderwerpen dat hij in het geval dat hij de volledige implicaties van elk van deze regels en voorschriften wel zou kennen.
Wanneer het kind opgroeit, of wanneer de soldaat zich op het slagveld in vijandelijk vuur bevindt, zal hij het gewicht van zijn ‘gedwongen’ training beseffen en zullen er geen strafmaatregelen nodig zijn om het wetboek, dat hij tevoren zo onwillig volgde, kracht bij te zetten. Tot hij echter in staat is de discipline, die met oog op zijn welzijn vastgesteld is, op zijn verdiensten te beoordelen, moet hij het zonder vragen aanvaarden.
De geboden vormen wat hun meest elementaire funktie betreft evenzo Tora’s disciplinair wetboek, dat door G’d voor het menselijk ras op papier is gezet. De eerste voorwaarde voor de geboden is dan ook een absolute onderwerping van de mens aan de wet van G’d – kabbalat ol malchoet sjamajiem – een zich onderwerpen aan het juk van de Hemelse Heerschappij. Bij Chabad wordt deze onderwerping een graad verder doorgevoerd, nl. tot bittoel hajeesj – overgave, hetgeen bewerkstelligd wordt door een rijpe overdenking van de grootheid van G’d, Zijn hoge verhevenheid en overweldigende majesteit; want in de aanwezigheid van de Almachtige G’d moet de mens een gevoel hebben van verpletterende onbelangrijkheid en nederigheid.
Tegelijkertijd echter, is z’n hart vervuld van een hartstochtelijke hunkering naar de G’ddelijke majesteit, en van een verlangen om zich aan Hem te hechten. Het is dus zo, dat de mens zich bewust wordt van een reeks emoties betreffende G’d, zoals vrees, eerbied, liefde, aanbidding, overgave enz., en deze emoties, die alle afkomstig zijn van het verstand, komen tot uitdrukking in en worden bevredigd door het in acht nemen van de G’ddelijke voorschriften; het gevoel van vrees zal hem er van af houden de G’ddelijke verboden te overtreden en het gevoel van liefde zal hem ertoe brengen alle geboden van de Tora met toewijding te vervullen.¹
Als de mens een geestelijk wezen zou zijn, zou hij zich voortdurend bevinden in een toestand van kelot hanefesj – het verlangen van de ziel om zich te hechten aan de Almachtige, hetgeen het bestaan van zijn G’ddelijke ziel in een aards lichaam onmogelijk zou hebben gemaakt. Maar de mens is niet op die manier gemaakt. Hij is een synthese van het aardse en het hemelse, aangezien hij bestaat uit een aards lichaam en een hemelse ziel.
Het aardse lichaam is onderhevig aan alle aardse begeerten en genoegens, welke hij gemeen heeft met alle dieren. Maar de mens is onderhevig aan verleidingen waaraan geen enkel dier onderhevig is. Terwijl het dier er louter naar zal streven zijn natuurlijke behoeften te bevredigen, die voorgeschreven worden door zijn instincten voor voortbestaan en vermenigvuldiging, zal de mens daarentegen geneigd zijn tot het in buitensporige mate bevredigen van deze zelfde behoeften. Zo’n te grote toegeeflijkheid betekent zowel de ondergang van het lichaam als de geest en de G’ddelijke geboden zijn de beste beveiliging tegen zo’n zelfvernietiging.
Nu is het natuurlijk zo dat G’d de mens zou hebben kunnen scheppen als een ‘volmaakt’ schepsel, vrij van alle verleiding, en niet bij machte om ook maar enig kwaad te doen. Hij zou de mens hebben kunnen maken vol van broederlijke liefde en totaal niet in staat enig slecht gevoel, afgunst of haat te koesteren.
Klaarblijkelijk was dit echter niet het G’ddelijke doel. Het was niet G’d’s wens dat deze wereld bewoond zou worden door een ras van robots. Het was de wens van G’d om de mens de vrije wil te geven om zowel goed als kwaad te doen en het is G’d’s verlangen dat de mens zijn slechte neigingen onderwerpt en goed doet.
Het is niet opmerkelijk, wanneer een engels niets dan goeds doet, maar het is wel opmerkelijk, wanneer de mens, die bestaat uit een fysiek lichaam dat doordrenkt is met aardse begeerten en verleidingen, zijn slechte neigingen overwint en ze onderwerpt om G’d te aanbidden.
Maar zonder G’d’s hulp zou het bijna onmogelijk zijn voor de mens om zijn ziel de overwinning te laten behalen over zijn lichaam. Daarom heeft G’d ons de Tora en de geboden gegeven; daarom ook heeft Hij ons begunstigd met een G’ddelijke ziel en een verheven verstand.
Hierin zit echter ook een groot gevaar. Aangezien de G’ddelijke ziel van de mens deze de heerschappij geeft over alle andere schepselen en over de natuurkrachten, kan de mens zijn grote macht gemakkelijk misbruiken en toepassen op een wijze die niet overeenkomt met de wil van G’d, want heeft G’d hem niet de vrije wil gegeven om te doen als hem behaagt?
Het is des te waarschijnlijker dat de mens op het verkeerde pad raakt, omdat hij zich er niet altijd van bewust is dat er een Allerhoogste Meester is, of omdat – als er een is – Hij Zijn meesterstuk, de wereld, niet heeft overgelaten aan Zijn uitverkoren schepsel de mens (zoals sommige mensen ons willen doen geloven). Vanwege het G’ddelijke plan of doel van de Schepping (waarvan we in een later hoofdstuk langduriger melding zullen maken) zullen onder invloed van het najagen van stoffelijke genoegens de G’ddelijke macht en het altijd-toeziend Oog zorgvuldig verborgen moeten worden voor de menselijke waarneming (anders zou het erg gemakkelijk zijn om goed te zijn). Ten onrechte komt de mens er daardoor misschien toe te denken dat er geen Hogere Autoriteit is. Door het vermogen dat de mens heeft om de krachten van de natuur voor zijn gebruik aan te wenden, krijgt hij misschien het gevoel dat hij belangrijk is, wat grenst aan pure arrogantie. Zulke – onjuiste – denkbeelden zouden de mens het onbeperkte verlof geven te doen zoals hij wil, zolang hij de macht ertoe heeft. Inderdaad hebben de technische ontwikkelingen en het wetenschappelijk gebied bereikt heeft, de morele en ethische vooruitgang zo ver achter zich gelaten, dat het resultaat geweest is het voortbrengen van moderne diktators en tirannen die in wreedheid en barbaarsheid alles wat de oude ‘onbeschaafde’ en onwetenschappelijke wereld ooit voortgebracht heeft, overtreffen.
De G’ddelijke geboden zijn daarom in de eerste plaats bedoeld om te werken als een beteugeling van de mens, zodat hij niet te ver reikt. Ze herinneren hem eraan dat hij niet de bezitter van de wereld is, maar louter de beheerder ervan. Hem is door de ‘landheer’ toevertrouwd het landgoed te beheren. Hij moet het helpen ontwikkelen en geen schade of vernieling veroorzaken.
Het is duidelijk dat iemand die de G’ddelijke geboden als zodanig aanvaardt, deze met ernst, geloof en nederigheid ten uitvoer brengt, niet gauw tot verslechtering van karakter zal geraken. Door de daad van het ten uitvoer brengen van een G’ddelijk gebod alleen al wordt de mens zich bewust van het bestaan van G’d en wordt hij herinnerd aan de aanwezigheid van G’d. Hoe vaker hij de G’ddelijke voorschriften nakomt, des te vaker zal hij aan G’d herinnerd worden, totdat het besef van G’d voortdurend bij hem zal zijn als een tweede natuur.
Er zijn trouwens een aantal geboden die in het bijzonder gezien worden te dienen ‘om te herinneren’, als ‘tekenen’ of als ‘aandenken’. Het gebod om schouwdraden te dragen b.v. is om te herinneren aan alle geboden van G’d (Num. 15:39). De Tsitsiek zijn als een onderscheidingsteken dat door de koning gegeven wordt om de trouw van de drager jegens hem² aan te duiden of als een uniform dat de drager herinnert aan zijn rang en speciale plichten. Een Mezoeza dient als embleem of ‘familiewapen’ van een Joods huis. De Sjabbat, met haar verboden betreffende alle soorten werk en vele andere beperkingen, is een ‘teken’ van of ‘aandenken’ aan de Schepping en de wonderbaarlijke bevrijding uit Egypte³. Natuurlijk is dit niet het enige doel van deze geboden, want zij hebben evenals alle andere geboden vele diepe betekenissen en funkties, ons bekende en ons onbekende. (Sommige diepere betekenissen van de voorschriften zullen in de volgende hoofdstukken uitgelegd worden). Maar deze geboden benadrukken wel op duidelijke wijze dat de voorschriften fundamenteel de funktie vervullen van wetboek van G’ddelijke discipline.
We hebben reeds vermeld dat de geboden in algemene zin leiden tot het opvoeden van de mens in zelfbeperking. Gematigdheid is een van de mooiste eigenschappen van de Jood. Het Chabad Chassidisme legt veel nadruk op dit punt; het beveelt gematigdheid aan in natuurlijke begeerten, hartstochten en zelfs in taalgebruik. Het is duidelijk dat wetten als kasjroet bedoeld zijn om ons te oefenen in onthouding, behalve dan dat ze ook de best voorstelbare gezondheidswetten vormen.
Maar Chabad gaat nog verder door aan te sporen tot gematigdheid zelfs betreffende toegestane zaken. ’Wat verboden is mag men niet doen; wat toegestaan is behoeft men niet te doen’⁴ want een te grote toegeeflijkheid in toegestane zaken is eveneens schadelijk, zij het niet zo schadelijk als toegeeflijkheid in niet toegestane zaken. Zelfbeperking is een zaak die zeer moeilijk na te komen is en het eist een voortdurende waakzaamheid.
‘Het is werkelijk een grote en moeilijke strijd om z’n kwade neiging, die als een vlammend vuur brandt, te onderdrukken… en ieder mens moet overeenkomstig zijn niveau in het dienen van G’d bij zichzelf nagaan en peilen of zijn dienst aan G’d evenredig is met deze moeilijke strijd… Betreffende het positieve dienen (gebed, zegenspreuken, dankgebed, Tora-studie, liefdadigheid, enz.) moet men een vastbesloten en meedogenloze poging doen de hindernissen die door de ’dierlijke ziel’ in de mens worden opgeworpen en die de mens afhouden van de meest volledige concentratie en vroomheid te overwinnen… en diegene die zich ertoe dwingt de Tora een beetje meer te bestuderen dan zijn natuurlijke neiging is, (of om een beetje meer geld voor goede doeleinden te geven dan gewoonlijk), die heeft reeds een kleine strijd gewonnen… Evenzo moet men, wat betreft het zich onthouden van slechte dingen, zich verre houden van ijdele kletspraatjes en men moet geen ongunstige opmerking maken over iemand anders, zelfs niet als het erom gaat zichzelf van blaam te zuiveren… en in het bijzonder moet men op zijn hoede zijn in gevallen waar geen daadwerkelijk verbod bestaat, maar waar het woord van onze geleerden van toepassing is: ‘en jullie zullen heilig zijn’, (Lev. 21:6) – heilig jezelf (door onthouding) in de toegestane dingen (Jewamot 20a).’⁵
Het is dikwijls moeilijker om zelfbeperking te betrachten betreffende toegestane zaken, dan betreffende verboden zaken, omdat er in het eerste geval geen wettelijke beperking is. Maar zelfs toegestane zaken verbinden zich met kwaad tenzij ze gewijd worden aan de dienst van G’d. Wanneer iemand bijvoorbeeld kosjer voedsel eet, niet met het doel sterk te zijn om G’d te dienen, maar voor eigen bevrediging en plezier, dan verbindt de energie die dit voedsel afkomstig is, tijdelijk ten goede aan de ‘kwade krachten’, totdat de persoon in kwestie besluit deze energie voor iets goeds aan te wenden. Dit is niet het geval wanneer men treife voedsel eet. Dan verbindt de ‘treife’ energie zich permanent met het kwaad en wordt pas bevrijd ‘in het einde der dagen’, wanneer G’d de ‘dood’ voor altijd zal vernietigen (Jesaja 25:8) en wanneer de onreine geest uit het land verdreven zal worden (Zecharja 13:2) – tenzij de overtreder gedurende zijn leven komt tot een volledig en absoluut berouw. De basisuitdrukkingen moetar – toegestaan, en asoer – verboden, zijn afkomstig van werkwoorden die respectievelijk ‘los-gemaakt’ en ‘geboeid’ betekenen, waarbij de eerstgenoemde term aanduidt, dat de energie zich zowel met ‘goed’ als met ‘kwaad’ kan verbinden en de laatstgenoemde term het permanent ‘geboeid’ of ‘gevangen genomen’ door het ‘kwaad’ aangeeft.
We kunnen zien met welk een diepe ernst de Chabad filosofie de kwestie van zelfdiscipline in ieder stadium van het leven van de Jood benadert. En terwijl het ideaal van ‘zich te heiligen door matigheid in toegestane zaken’ de gemiddelde mens misschien moeilijk bereikbaar lijkt, zijn er de G’ddelijke voorschriften van duidelijk omschreven verboden en geboden (doe en doe niet), waardoor de mens, als hij zich eraan houdt, een flink eind op weg raakt naar de hoogste graad van heiligheid.
Samenvattend: Het vervullen van de G’ddelijke voorschriften met ernst en overgave is duidelijk een fundamentele faktor bij het morele trainen en bij de karaktervorming van de mens. Het is de eerste stap in het streven van de mens naar de hoogste geestelijke volmaaktheid.
(Noten: Hoofdstuk 1)
- Het proces van deze geestelijke reacties wordt in de Tanja als volgt beschreven: De ziel bestaat uit twee samenstellende delen: het verstand (sechel) en de eigenschappen (midot). Het verstand omvat drie vermogens: Chochma (wijsheid), Bina (begrip) en Daät (kennis). Vandaar CHaBaD. De eigenschappen zijn de emoties – vrees, liefde etc. De drie vermogens van het verstand (CHaBaD) vormen de bron van de eigenschappen, aangezien deze geboren worden uit het verstand, want pas na rijpe overdenking betreffende de grootheid van de G’ddelijke Majesteit zullen vrees en liefde voor de Almachtige en alle andere geestelijke eigenschappen ontstaan. (Tanja 3; Iggeret Hakodesj 15, waar het onderwerp uitvoeriger behandeld wordt).
- Sefer Hachinoech – Mitswa 386 (zie noot 2, Inleiding).
- Zie Shabbos en Tefillien door Alexander Cowen, uitgegeven door Merkos L’Inyonei Chinuch.
- Hatomiem, deel V, Kfar Chabad, 1971, pag. 101, genoemd een citaat van Rabbi Shneur Zalman van Liadi.
- Tanja, hdst. 30, (vrij vertaald).
