Lezen en belevenJoodse GeschiedenisRabbijn Jitschak (Ies) Vorst

Rabbijn Jitschak (Ies) Vorst

Rabbijn Jitschak Vorst was bijna zestig jaar lang de hoofd-sjaliach — afgezant — van de Chabad-Lubavitch-beweging in Nederland. Door zijn geschriften, zijn persoonlijke benadering en zijn liefdevolle aanvaarding van iedereen heeft hij een diepe invloed gehad op het naoorlogse Joodse Nederland. Hij heeft duizenden Joodse levens geraakt — velen daarvan Joodse families die vandaag actief zijn in hun gemeenschap, in Nederland en daarbuiten.

Mosje Jitschak (Ies) Vorst werd in januari 1938 in Rotterdam geboren, als zoon van Rabbijn Levie en Tsipora Channa (Henriette) Vorst-van Gelder. Op vijfjarige leeftijd werd hij, samen met zijn familie, opgepakt en naar het doorgangskamp Westerbork gebracht, en vandaar naar Bergen-Belsen gedeporteerd.

In die onmenselijke omstandigheden zag de jonge Ies vele malen hoe onbaatzuchtig zijn ouders waren. Zijn vader verzamelde kinderen in het kamp om hun Tora te leren. Zijn moeder, Tsipora Channa, wier jongste kind in het kamp stierf, voedde andere baby’s, wier moeders daartoe niet in staat waren. Zijzelf bezweek in de laatste weken van de oorlog, in mei 1945, nabij het plaatsje Tröbitz, tijdens wat later bekend zou worden als het Verloren Transport. Met één dochter en drie zonen overleefde Rabbijn Levie de oorlog. Hij keerde terug naar Nederland en werd Opperrabbijn van Rotterdam.

Joods Nederland telde vóór de oorlog honderdveertigduizend zielen; aan het einde van de oorlog nog slechts dertigduizend. “Zeer weinigen voelden zich op hun gemak zich openlijk als Jood te tonen, en assimilatie was wijdverbreid,” vertelde Rabbijn Vorst aan Compass Magazine. “Mijn vader geloofde dat er in Nederland geen werkelijke toekomst was voor Jiddisjkeit — het Jodendom — en moedigde iedereen die belangstelling had voor een meer traditioneel Jodendom aan om naar Israël te emigreren. Er was geen Joodse school in Rotterdam; mijn Joodse opleiding bestond uit enkele uren Joodse les per week, en zo nu en dan leren met mijn vader. Als tiener was ik madriech bij de Bné Akiwa-afdeling in Rotterdam, en het stond voor mij vast dat mijn toekomst in Israël lag.”

Na de HBS met succes te hebben doorlopen, volgde Ies het advies van zijn vader, en vertrok, met een ingenieursdiploma op zak, naar Israël. Hij besloot enkele maanden in een jesjiwa te leren, om zijn Joodse kennis te verdiepen terwijl hij op zijn oproep voor militaire dienst wachtte. “Er was destijds geen officiële Lubavitch-aanwezigheid in Nederland; ik wist weinig van Chabad,” vertelde Vorst. “Maar er was in Rotterdam een jonge student, Daniël Meijers, die meer over Chabad wist. Zijn oprechtheid en de authentieke wijze waarop hij dawwende, troffen mij. Samen luisterden wij naar platen met Lubavitch-melodieën, en de niggoeniem — chassidische melodieën — maakten diepe indruk op mij. Dit bracht mij ertoe mijn formele jesjiwa-opleiding in Lubavitch te beginnen.”

Via zijn zwager, R’ Dovid Morozov (HJ”D) uit Kfar Chabad, kwam Vorst terecht in Chabad’s Jesjiwat Tomchei T’mimiem in Lod. De meeste lessen en farbrengens — bijeenkomsten — in de jesjiwa waren in het Jiddisch. “Ik kon nauwelijks volgen wat er gezegd werd,” herinnerde Vorst zich, “maar de niggoeniem die zij zongen, hebben mij staande gehouden.” Deze liefde voor chassidische muziek bleef hij zijn leven lang koesteren; zo werd hij een geliefd dichter van Nederlandstalige liedjes voor Joodse kinderen.

In september 1962 reisde Vorst met medestudenten naar Brooklyn, om de hoge feestdagen bij de Rebbe door te brengen en zijn studie voort te zetten. Aan het einde van zijn eerste jechidoet — privé-audiëntie — bij de Rebbe, bracht de jonge man een boodschap over namens zijn vader: dat een Chabad-gezant dringend nodig was om te voorzien in de behoeften van het Nederlandse Jodendom. Vorst herinnerde zich dat de Rebbe met een glimlach antwoordde: “Ik heb nog niet de geschikte persoon gevonden, die zowel bereid als in staat is deze taak op zich te nemen.”

Vorst bleef in Brooklyn om zijn studie voort te zetten aan de Centrale Chabad-jesjiwa aan 770 Eastern Parkway. Een jaar later, in september 1963 — precies twee jaar nadat hij met zijn studie in de jesjiwa was begonnen — ontving hij van de Rebbe zijn levensopdracht, die hem schreef:

“Aangezien het van groot belang is dat Jiddisjkeit en Chassidoet in Nederland verbreid worden, dient je doel te zijn je daar te vestigen — hetzij onmiddellijk, hetzij na enige tijd — aangezien je de taal kent, enzovoort. Wat je verdere studie in de jesjiwa betreft: gezien je leeftijd — nu de tijd is gekomen een levenspartner te vinden, en dientengevolge na te denken over een bron van inkomsten — zou je alleen [verder moeten leren in de jesjiwa] indien je binnen korte tijd een specifiek vak zou kunnen voltooien, zoals semicha, sjechita, of het Joodse onderwijs.”

Enkele maanden later verloofde Vorst zich met Dobbe Rubinson, uit Brunoy in Frankrijk. Vóór de bruiloft hadden zij samen een privé-audiëntie bij de Rebbe.

“Behalve de zegeningen voor ons huwelijk en ons nieuwe leven, sprak de Rebbe met ons over ons werk in Nederland,” schreef Vorst. “De Rebbe vertelde mij dat er genoeg ingenieurs op de wereld zijn, en dat mijn opdracht in Nederland was ‘lehafits hajahadoet vehama’ajanot bechol makom sje’efsjar’ — het Jodendom en het Chassidisme te verspreiden, waar dat maar mogelijk is. Tegen mijn vrouw zei de Rebbe: ‘Zi zol oisnutzen ihre kisjronos’ — zij moest haar talenten evenzeer op dit terrein inzetten.”

‘Hij wilde nooit aandacht of eer’

De Rebbe spoorde de jonge rabbijn aan een positie te zoeken van waaruit hij het Jodendom in Nederland zou kunnen versterken. In de beginjaren gaf Vorst les op het Maimonides en verzorgde hij Tora-lessen voor universiteitsstudenten. Uiteindelijk werd Rabbijn Vorst officieel lid van het rabbinaat van de NIHS.

Kort na zijn aankomst in Nederland werd hij voorganger van de synagoge in Amstelveen. Indertijd kwam een dienst op sjabbatochtend maar met moeite tot stand; maar dankzij Vorsts openheid naar Joden van elke achtergrond en elk niveau van kennis en naleving, begon de gemeente te groeien.

Rabbijn Vorst had een geheel eigen stijl. Met een groot gevoel voor humor, een houding van altijd geven en nooit nemen, en stevig geworteld in de tradities van het Nederlandse Jodendom, veroverden hij en zijn dierbare vrouw Dobbe de harten van de Amstelveense gemeenschap.

Naarmate zijn gemeente groeide, groeiden ook haar behoeften. Ooit, in de beginjaren, riep iemand hardop tijdens de Jom Kippoer-dienst: “Kan iemand mij misschien aanwijzen waar we zijn?” Vorst besefte dat de machzoriem vooroorlogse relikwieën waren, weinig gebruiksvriendelijk voor de meeste aanwezigen. Als antwoord daarop stelde hij boekjes samen met praktische informatie en aanwijzingen voor de diensten van de hoge feestdagen. De boekjes waren zo geliefd, dat het NIK hem, toen enkele jaren later besloten werd tot een nieuwe en gebruiksvriendelijker Nederlandse machzor voor Rosj Hasjana en Jom Kippoer, als redacteur aantrok om het project te leiden.

Een andere dringende behoefte was Joodse vorming voor kinderen, in het bijzonder voor hen die weinig of geen gelegenheid hadden formele lessen te volgen. Tikwatenoe organiseerde zomer- en winterkampen voor kinderen uit een breed deel van de gemeenschap. In 1965 werd Vorst huisrabbijn van Tikwatenoe, en bijna zestig jaar lang ging hij ieder jaar mee! Door deze kampen ontstonden levenslange banden met duizenden Joodse kinderen, die later hun eigen gezinnen zouden stichten.

Antwoord op een tragedie

In 1976 trof het noodlot de familie Vorst zwaar. Hun driejarige zoon, Boruch, kwam om bij een auto-ongeluk. De jongen was vernoemd naar zijn oom, de jongere broer van Rabbijn Vorst, die als baby in Westerbork was gestorven.

Rabbijn Vorst putte diep uit de chassidische traditie die hem zo eigen was geworden, om in dit grote verlies vertrouwen en troost te vinden. Zijn weg door verdriet naar aanvaarding vertrouwde hij toe aan het papier. Hij kwam tot de slotsom “dat een Jood altijd moet proberen te zingen, ook in verdriet.” In 1982 verscheen het boekje dat daaruit voortkwam, voor het eerst in het Nederlands, onder de titel Overpeinzingen: over pijn zingen. Sindsdien is het vertaald in het Engels, Hebreeuws, Frans, Spaans, Russisch en Portugees.

Rabbijn Vorst was een man van de daad, die tot in de laatste maanden van zijn leven mensen van alle leeftijden opzocht, met toewijding en creativiteit. Of het nu ging om een toespraak bij de herdenking van de Tweede Wereldoorlog, in aanwezigheid van de minister-president; om het schrijven van Badèrech (1981), een gids voor het praktische Joodse leven, verrijkt met chassidische gedachten; om lezingen over Tora en wetenschap voor universiteitsstudenten; om het leggen van tefillin tijdens de jaarlijkse Jom Havoetbal, tot aan de veertigste keer, enkele maanden vóór zijn overlijden; om het bedenken van Bar Mitswa Race, een bordspel vol Joodse kennis; of om het vertellen van verhalen bij Sjabbat-programma’s voor jonge kinderen — Vorst kende geen rust zolang er nog een Jood te bereiken viel.

Laat in zijn leven, na tientallen jaren lesgeven, begon hij ook zijn Tora-lessen op te nemen: vandaag zijn er vijfhonderd tot zeshonderd van zijn lessen op YouTube te vinden. Zijn invloed op het Joodse leven in Nederland kan moeilijk overschat worden. Zijn thuisbasis lag weliswaar in Amstelveen en Amsterdam, maar hij bleef de oorspronkelijke opdracht van de Rebbe voor ogen houden: heel Joods Nederland te bereiken, en vooral de kinderen.

Daarbij omringde hij zich met een team dat zijn gedrevenheid deelde. In de beginjaren waren dat de chassidiem die al in opdracht van de Rebbe in Nederland woonachtig waren, onder wie prof. L.D. Meijers en drs. S. Spiero z.l., later ook Opperrabbijn B. Jacobs. Naarmate de behoefte groeide, stelde hij steeds meer sjloechiem-echtparen aan, verspreid over het hele land. Voor zijn overlijden wees hij Rabbijn Shmuel Katzman aan als opvolger, om dit werk voort te zetten en de ondersteuning van het Joodse Nederland verder uit te bouwen.

Die inzet werpt tot op vandaag vrucht af: er zijn nu tweeëntwintig Chabad-Lubavitch-sjloechiem in Nederland, bijna allen leerlingen van Rabbijn Vorst, of hun kinderen en kleinkinderen.

Rabbijn Jitschak Vorst is woensdagavond 28 Elloel — 14 september — op vijfentachtigjarige leeftijd overleden.