De Confrontatie: Mosje versus Farao

Meer dan 3300 jaar geleden. Confrontatie van twee levensvisies. Mosje versus Farao op grond van hun respectievelijke G’dsvoorstelling. Farao ontkende het bestaan van G’d op zich niet. Maar dan Ellokiem, met dezelfde getalswaarde als Hatewa, de natuur, G’d als schepper van de Natuur maar daardoor Zelf gebonden, vastzittend, aan de begrenzingen en beperkingen van de wetten der Natuur. En dus was er, op grond van dit G’dsbeeld, geen reden voor de oppermachtige heerser van Egypte een zwak slavenvolk vrij te laten. Voor Mosje was/is G’d meer dan “alleen maar” Ellokiem, Schepper van de Natuur. Ha’sjeem hoe Ha’Ellokiem: G’d is enerzijds de Schepper van Tijd en Ruimte, a.h.w. in Tijd en Ruimte aanwezig, maar tegelijkertijd boven de begrippen en begrenzingen van Tijd en Ruimte verheven. Het onmogelijke is mogelijk. En dus ook de vrijwording van een zwak slavenvolk uit de macht van de Egyptische heerschappij. De tien plagen waren een manifestatie van de almacht van Ha’sjeem Ellokiem. Onnatuurlijke gebeurtenissen in de natuur. Het is de bedoeling dat wij, als joods volk, vertellen over de uittocht uit Egypte. En op de avond van Pesach komt de eenheid van het joodse volk, op indrukwekkende wijze tot uitdrukking. Overal ter wereld wordt Pesach gevierd door Tam (eenvoudige) en Chacham (verstandige), door Sje’eeno jodee’a lisjol (hij/zij die geen vragen weet te stellen) en zelfs door de Rasja (boosaardige, boosdoener).
De vier zonen/dochters
De Tora maakt duidelijk dat bovengenoemde vier typen joden, mensen, voorkomen en dat zij allen deel uitmaken van ons volk. Als hij de booswicht daar, in Egypte, was geweest, zou jij niet zijn verlost. Dat gold voor daar en toen, en niet voor later en nu.
De vier zonen kunnen ook begrepen worden als vier perioden in het menselijk leven. Eerst ben je een kind dat nog geen vragen kan stellen en alleen met grote ogen kijkt naar wat er gebeurt. Ook dan al moeten ouders je als kind “openen” en vertellen over het joodse leven. Daarna wordt je een Tam (eenvoudige); je begint te vragen. “Waarom dit? Waarom zo?” Dan komt de pubertijd waarin je je misschien tegen alles afzet; tegen de voorschriften en verplichtingen, tegen de opvattingen en ideeën van het Jodendom tot en met zelfs het in twijfel trekken van het bestaan van G’d. Het is de groei naar volwassenheid. Daarna word je een chacham, een verstandig en bedachtzaam mens.
Hoewel, ergens blijf je een beetje de Vier Zonen, je leven lang. Van sommige aspecten heb je geen weet en dus stel je geen vragen. Van andere aspecten wil je wel meer weten: je vraagt er naar. Er zijn misschien zaken die je nog niet kunt accepteren (in het jodendom), die je afwijst. En er zijn aspecten die je begrijpt en aanvaardt.
Tenslotte een raad: als je opstandige vragen hebt, stel ze aan een verstandige. Niet voor niets, staan we naast elkaar.
Bron: Rond de Bron
