Choelda de Profetes

Choelda, de vrouw van Sjaloem ben Tikva, was een van de zeven profetessen die in de Tenach genoemd worden. Deze zeven profetessen leefden in verschillende tijdperken. Hun namen zijn: Sara, Mirjam, Debora, Hanna, Abichajil, Choelda, en Esther.

Choelda leefde in de tijd van de regeerperiode van Jo’sjie’a in Jeroesjalajiem (3285–3316), zo’n 2500 jaar geleden. In deze periode kreeg zij de gave van profetie en zij kwam bekend te staan als een profetes. Dit was in hetzelfde tijdperk als dat van de profeten Jeremia en Tsefanja.

Volgens de Midrasj (Pesikta Rabbatie, hfst. 26) verkondigde Jeremia zijn profetieën in de straten van Jeroesjalajiem; Tsefanja gaf zijn profetieën in de synagogen; en Choelda had een school voor vrouwen in Jeroesjalajiem, waar zij het woord van HaSjem voor Joodse vrouwen, moeders en dochters onderwees.

In de Talmoed (Megilla 14b) staat vermeld dat Choelda familie was van de profeet Jeremia. Zij was een afstammeling van Jehosjoe’a bin Noen – Jozua – van de stam Efra’iem. De profeet Jeremia was ook een afstammeling van Jehosjoe’a – van moeders kant. Van zijn vaders kant was Jeremia een kohen, de zoon van Chilkia, die van een lange lijn kohaniem afstamde, die terug ging tot Aharon HaKohen van de stam van Levie.

Choelda’s echtgenoot Sjaloem had een vooraanstaande positie aan het koninklijk hof. Hij was de beheerder van de Konings Kleedkamer, hij overzag de kleding van de koning voor allerlei soorten gelegenheden. Ook was hij een van de koning’s leermeesters toen Jo’sjie’a nog een kind was. Jo’sjie’a was slechts acht jaar oud toen hij zijn vader Amon opvolgde. Zijn vader, die een afgodendienaar was, werd toen hij twee jaar geregeerd had door leden van de hofhouding vermoord.

De jonge Jo’sjie’a had vooraanstaande leraren: Chilkia de Kohen Gadol – Hogepriester – (hij was de overgrootvader van Ezra de Schrijver); de profeet Jeremia; Sjafan de Schrijver, en diens zoon Ahlkam; en ook Sjaloem en zijn vrouw Choelda die Jo’sjie’a in zijn vroege kindertijd verzorgden. Dankzij hun onderwijs en invloed ontwikkelde Jo’sjie’a zich tot een G’dvrezend persoon.

Hij trad niet in de voetstappen van zijn vader en grootvader (koning Menasje), die afgoden dienden en dat ook in het Koninkrijk van Juda aanmoedigden. Hij trad in de voetstappen van zijn overgrootvader Chizkieja, die een G’dvrezende koning was die van de Tora hield. Op zestienjarige leeftijd nam Jo’sjie’a de teugels van het koningschap stevig in handen en begon veranderingen in het spirituele leven van zijn volk te introduceren, wat een nieuw tijdperk voor het land inluidde. Hij leidde het volk terug naar HaSjem en Zijn Tora en Mitswot.

Twee jaar later, toen hij 18 jaar was, nam de jonge koning de enorme taak op zich om het Beth Hamikdasj, de Tempel, dat al vele jaren verwaarloosd was, te restaureren. Hij organiseerde een grootscheepse bijeenkomst met het doel om het volk in deze onderneming te laten deelnemen. Het volk reageerde enthousiast en zij gaven veel geld. De reparatie en restauratie van het Beth Hamikdasj kwam onder de kundige supervisie van de hogepriester Chilkia al gauw op gang.

Tijdens dit werk was Chilkia enorm blij toen hij een Tora-rol vond uit de tijd van Mosje Rabbenoe. Dit unieke Sefer Tora werd in het Heilige der Heiligen van het Beth Hamikdasj bewaard, maar in de periode van de afgoden-dienende koningen, hadden kohaniem hem op een geheime plaats in het Beth Hamikdasj verborgen. Het was namelijk een keer gebeurd dat de verraderlijke koning Achaz een Sefer Tora verbrand had.

Toen de Hogepriester deze verborgen Sefer Tora vond, gaf hij hem aan de koning’s schrijver Sjafan, om hem aan de koning te geven.

De koning vroeg Sjafan iets uit het Sefer Tora voor te lezen. De rol viel open in het gedeelte van Dewariem – Deuteronomium – waarin staat, dat HaSjem het Joodse volk waarschuwt voor de negatieve gevolgen verbonden aan het verwaarlozen van de Tora en Mitswot: verwoesting en verbanning.

De koning was diep geschokt, vooral toen hij zich realiseerde hoe zijn vader en grootvader het Heilige Land met afgodendienst en kwaad ontheiligd hadden. Hij scheurde zijn kleren (een teken van rouw en berouw) en beval Chilkia en vier andere koninklijke boodschappers om bij de profeten te informeren wat gedaan moest worden met de G’ddelijke waarschuwing die hij zojuist had ontvangen.

Normaal gesproken zouden zij onmiddellijk naar de grootste profeet van die tijd, Jeremia, gegaan zijn, maar die was niet in Jeroesjalajiem. HaSjem had hem naar Assyrië gestuurd voor de Joodse bannelingen, die daar in gevangenschap leefden sinds Sjalmanesser, koning van Assyrië, het Noordelijke Koninkrijk van de Tien Stammen in het jaar 3205, had veroverd.

Jeremia moest hen een boodschap van steun en hoop brengen en hen ervan verzekeren dat HaSjem hen niet vergeten was; zo ook moesten zij HaSjem niet vergeten, maar hun ballingschap moedig ondergaan tot de dag dat Hasjem al de Joodse bannelingen die over de verscheidene landen zijn verspreid zal inzamelen en naar het land Israel zal terugbrengen.

Vanwege Jeremia’s afwezigheid, gingen de boodschappers van de koning naar de profetes Choelda, tegelijkertijd hopend dat haar tedere medelevende vrouwelijke hart een mogelijk strenge profetie die hen te wachten stond, zou verzachten.

Choelda gaf hen de volgende profetie:

Aldus zegt de Heer, G’d van Jisraeel: Zeg tegen de man die jou naar mij zond, “Aldus zegt de Heer: ‘Ik zal een catastrofe over deze plaats en over zijn inwoners laten komen – conform de woorden die de koning van Juda gelezen heeft, want jullie hebben Mij de rug toegekeerd en andere goden gediend… daarom zal Mijn woede tegen deze plaats opvlammen en niet geblust worden.’

Maar tegen de koning van Juda die jullie naar mij gezonden heeft om bij G’d te rade te gaan, zullen jullie zeggen: ‘Aldus spreekt de Heer, G’d van Jisraeel: ‘Omdat je een teder hart hebt en jij je voor de Heer hebt neergelegd toen je hoorde wat Ik bevolen heb… omdat jij je kleren hebt gescheurd en ten overstaan van Mij hebt gehuild, heb Ik jouw gebed verhoord. Daarom zal Ik jou in vrede doen sterven; en jouw ogen zullen ongeluk dat ik mogelijk over deze plaats zal doen komen niet zien.'”
(Koningen 22:15-20)

Zodra de boodschappers het antwoord van de profetes Choelda aan de koning gegeven hadden, liet hij de Ouderen van Juda en Jeroesjalajiem komen en gaf hij opdracht het hele volk – groot en klein – naar het Beth Hamikdasj te laten komen.

De koning las het volk de woorden van de Tora-rol voor die in het Beth Hamikdasj gevonden was – de G’ddelijke waarschuwing gevolgd door het verbond dat Mosje en alle Joden met HaSjem hadden gesloten. Nu hernieuwde de koning dit verbond: “Om in de wegen van HaSjem te gaan, Zijn Mitswot, geboden en wetten met heel het hart en heel de ziel te vervullen.”

Het hele volk accepteerde het hernieuwde verbond plechtig en nam zich voor zich er aan te houden.

Onder het persoonlijke leiderschap van de koning en met hulp van de Hogepriester Chilkia, begon het volk het land te reinigen van alle afgodendienst met zijn vreselijke gewoonten. Een sfeer van berouw, heiligheid en puurheid vulde het hele land.

Pesach, het Feest van de Bevrijding, naderde. Koning Jo’sjie’a nam zich voor om het gevoel van echte vrijheid – bevrijding van de verslaving van de voorgaande generaties aan hun afgodendienst – te versterken, door een buitengewone nationale viering van dit grootse feest. Een dergelijke geïnspireerde en vreugdevolle Pesach-viering was sinds het tijdperk van de profeet Samuel niet meer voorgekomen.

De profetes Choelda speelde door haar profetie en invloed een belangrijke rol in de grote spirituele opleving van het Joodse volk onder de regeerperiode van koning Jo’sjie’a.

Choelda’s profetie kwam uit. Koning Jo’sjie’a leefde nog 19 jaar; hij regeerde 31 jaren. Maar hij maakte de verwoesting van Jeroesjalajiem en van het Beth Hamikdasj niet mee. Dat vond plaats aan het einde van de 11-jaar durende regeerperiode van zijn zoon Tsidkiejahoe. (In de tussentijd hadden Jo’sjie’a’s twee oudere zonen en een kleinzoon hem voor korte perioden opgevolgd: Jehoachaz voor drie maanden, en Jehojakiem voor 11 jaar, gevolgd door diens zoon Jehojachien, of Jechonja, voor 100 dagen.)

Ook hoefde de profetes Choelda – evenmin als haar familielid de profeet Jeremia – de verschrikkelijke verwoesting die zij voorspeld had niet mee te maken. Maar haar profetie en invloed – als een van de zeven G’ddelijke profetessen die ons Joodse volk rijk was – is een eeuwigdurende erfenis voor ons Joodse volk gebleven.

Bron: Talks and Tales