Op bezoek in Jeruzalem

Weten jullie hoe jullie in Jeroesjalajiem moeten komen?
Onze geleerden geven de volgende omschrijving: “G’d mat de wereld. Precies in het midden van de aarde plaatste Hij het land Israel en precies in het midden van dit land plaatste hij Jeroesjalajiem. In het midden van Jeroesjalajiem situeerde Hij de Tempel met daarbinnen het Heilige der Heiligen.”
Uiteraard hebben jullie deze aanwijzingen niet nodig om naar Jeroesjalajiem te gaan. Maar deze zinsnede van onze geleerden geeft wel het grote belang aan van het Heilige Land, de Heilige Stad, de Heilige Tempel en het Heilige der Heiligen.
Jeroesjalajiem is altijd al een centrum van menselijke interesse geweest. Ook nu nog wordt Jeroesjalajiem door honderden miljoenen beschouwd als de Heilige Stad. Maar onze profeten beloven ons dat zijn toekomstige glorie zijn voormalige glorie verre zal overtreffen.
De naam Jeroesjalajiem is volgens onze geleerden verbonden met de oude naam van de stad: Salem, of juister gezegd Sjalem, van het Hebreeuwse woord Sjalom dat vrede betekent. De naam wordt in de Tora genoemd, toen Avraham door Malki’tsèdèk, Noach’s zoon Sjem, begroet werd nadat Avraham als overwinnaar uit de oorlog tegen de vier koningen, Kedorlaomer en consorten terugkeerde. Later, toen Avraham Jitschak op het altaar op de berg Moria vastbond, voegde Avraham de naam Jir’è toe, hetgeen ‘zal zien’ en ‘gezien worden’ betekent. Dit om de G’ddelijke Verschijning op die berg in herinnering te roepen. En ook in verband met de toekomstige pelgrimstochten naar de Heilige Tempel die op die berg gebouwd zou worden. Zo kreeg de stad zijn naam Jeroesjalajiem.
Jeroesjalajiem is een van de oudste steden ter wereld. Dat is uit opgravingen gebleken. De oudste inwoners van Jeroesjalajiem, die in de bijbel worden genoemd, zijn de Jebusieten. Lang nadat het land Kena’an door Jozua veroverd was, hielden de Jebusieten nog in de versterkte stad stand, totdat de mannen van Juda de citadel bestormden en haar onder het leiderschap van koning David veroverden. De stad werd toen ‘Me’tsoedat Tsion’, de citadel van Zion, genoemd. Koning David gaf het later een andere naam: ‘Ier David’, de stad van David.
In de oude dagen bestreek de stad verscheidene heuvels die van elkaar door valleien werden gescheiden. Vandaag echter kun je de heuvels maar moeilijk onderscheiden, omdat de valleien in de loop der eeuwen opgevuld zijn. De stad zelf wordt door heuvels omgeven.
De stad wordt door twee valleien in twee delen verdeeld. Deze valleien heten Gé Hinnom (de Vallei van Hinnom) die zich in het zuidwesten en het zuiden van de stad bevindt en de Vallei van Kidron in het oosten. De Olijfberg ligt tegenover de stad in het oosten. Noordelijk van de stad ligt de berg Tsofiem (Scopus) vanwaar je over de hele stad kan uitkijken. De Gihon bron stroomt naar het zuidoosten en een tweede bron, Ein Rogeel, (die nu de Bron van Job genoemd wordt), kun je vinden op de splitsing van de Hinnom en de Kidron valleien ten zuidoosten van de stad. Er zijn ook nog overblijfselen van hele oude aquaducten waardoor water getransporteerd werd van de zogenaamde “Vijvers van Salomo”, niet ver van Bethlehem.
Zoals hierboven al vermeld werd, had koning David het fort van de Jebusieten veroverd en zijn stad daarop en rondom gebouwd. Maar zijn zoon koning Salomo heeft nog het meeste gedaan om Jeroesjalajiem tot de mooiste stad te maken door daar de Tempel te bouwen, zijn koninklijk paleis en andere gebouwen. Koning Salomo voltooide ook de stadsmuren rondom de Heilige Stad, waarmee zijn vader al begonnen was.
Na de splitsing van het land Israël gedurende de regeerperiode van de zoon van koning Salomo, Rechabeam, werd Jeroesjalajiem veroverd door Sjiesjak, de koning van Egypte. Kort daarna werd de stad weer bevrijd en in ere hersteld. Onder het bewind van koning Chizkia, werd de stad door de Assyriërs onder leiding van Sancheriv belegerd, maar de stad werd door G’d gered doordat er een fatale ziekte uitbrak waardoor het Assyrische leger vernietigd werd.
Tot aan de tijd van Chizkia was de stad voor de watervoorziening afhankelijk van enkele waterbronnen buiten de stad. Maar koning Chizkia zag het gevaar dat hier in school en liet verscheidene waterreservoirs binnen de stad bouwen. Enkele jaren later, onder het bewind van koning Jehojachin werden deze door de Babyloniërs vernietigd. Uiteindelijk werd de stad, in de tijd van koning Tsidkieja, na een lange belegering door het leger van Nebukadnezar, de koning van Babylonië, veroverd en verwoest. Niet alleen de stad en de Tempel werden vernietigd, maar het hele land werd veroverd. Zo begon de Babylonische ballingschap.
Door deze verwoesting in het jaar 3338 bleef er niet veel van Jeroesjalajiem meer over dan een hoop stenen. Haar pracht en praal was verdwenen; Jeroesjalajiem was een doodse en verlaten plaats geworden.
Zo troffen de Joodse bannelingen die uit Babylonië terugkwamen, hun geliefde stad aan. Maar onder leiding van Zeroebawel begonnen zij meteen met de herbouw van de stad en de Tempel. Na enkele onderbrekingen als gevolg van aanvallen door de Samaritanen, was de Tempel uiteindelijk in 3408 herbouwd. Nechemia, de leider van de Joden van die tijd, had de stadsmuren opnieuw opgebouwd en versterkt. Hij vond de stad te groot voor de inwoners. Hij wilde dat er meer mensen in Jeroesjalajiem kwamen wonen. Al snel groeide het inwonersaantal van Jeroesjalajiem tot ongeveer 12.000 mensen en dit aantal groeide gestaag toen het leven in de stad weer normaal werd.
De volgende twee eeuwen was het leven in Jeroesjalajiem goed. Ieder jaar werd de stad drie keer per jaar door feestende pelgrims bezocht. Tijdens deze feesten nam de bevolking in Jeroesjalajiem in veelvoud toe.
Ongeveer in het jaar 3427 kwam Jeroesjalajiem onder bewind van Alexander de Grote te staan. Maar de stad werd gespaard en kreeg volledige vrijheid en zelfbestuur. Na zijn dood echter viel de stad in handen van de Ptolomeeën van Egypte en uiteindelijk werd de stad door de Seleuciden uit Syrië overgenomen. Toen Antiochus Epifanes (Antiochus IV) de troon van Syrië besteeg, plunderde hij de stad tot tweemaal toe en legerde hij een garnizoen soldaten in de citadel van David (toen Akra genoemd). De Tempel werd ontheiligd en er werd een altaar voor Zeus opgericht. Dit leidde tot de opstand van Matitjahoe de Chasjmoneër. Onder leiding van diens zoon Judas de Makkabeër, werden na een lange en zware strijd de strijdkrachten van Antiochus verslagen, de stad bevrijd en de Tempel heringewijd: Chanoeka in het jaar 3622.
De citadel van Akra hield nog een jaar stand tot deze door Sjim’on, de broer van Juda werd veroverd. Jonathan, een van de andere broers die Sjim’on opvolgde, werd officieel tot koning van Judea uitgeroepen. Net als zijn broers versterkte ook hij de muren van de stad.
De burgeroorlog die uitbrak door de jaloezie van de twee broers Hyrcanus en Aristobulus bracht rampspoed over de stad. Tenslotte werd Jeroesjalajiem door de Romeinen onder leiding van Pompeï veroverd (3697). Ongeveer 25 jaar later werd Jeroesjalajiem opnieuw bestormd, dit keer door Herodes, die door de Romeinen tot koning werd uitgeroepen.
In een poging om de gunst van het volk te winnen, – hij werd namelijk veracht omdat hij van Edomitische afkomst was en niet op de troon hoorde te zitten-, liet hij veel gebouwen oprichten om de stad mooier te maken. De Tempel werd afgebroken en herbouwd en zag er daarna schitterend uit, omgeven door prachtige zuilen. Herodus liet ook zijn koninklijk paleis in het noordwesten van de stad bouwen. Hij richtte het fort van Antonia, ten noordwesten van de Tempelberg op, waardoor hij de pelgrims die zich in de Tempel verzamelden in de gaten kon houden.
Het koninklijke paleis werd door veel torens omgeven. Een daarvan wordt nu de Toren van David (Migdal David) genoemd. Herodes, een bewonderaar van de Romeinen, liet ook een theater en een stadion in de heilige stad bouwen. Dit zette veel kwaad bloed bij het volk. Er werden ook veel publieke en particuliere gebouwen opgericht en de straten werden geplaveid en schoongehouden. Dit was een gouden tijd voor Jeroesjalajiem, toen misschien wel de meest prachtige stad in de wereld.
Koningin Helena en koning Moembas van Adiabene die in de Talmoed om hun goede daden geprezen worden, bezochten Jeroesjalajiem vaak en voegden veel toe aan de pracht van de stad. De zogenaamde “graftomben van de koningen” ten noorden van de stad zijn in werkelijkheid die van de koninklijke familie van koningin Helena.
De Romeinen die hun invloed over Jeroesjalajiem voor de eerste keer tijdens de oorlog tussen de twee broers vestigden, bereidden zich voor om de Joden geheel te overheersen. De van hun vrijheid houdende Joden deden een wanhopige poging om het steeds zwaarder wordende juk van de onderdrukkende Romeinse consuls van zich af te werpen. Maar zij delfden het onderspit tegen de machtige strijdkrachten van Vespasianus. In het jaar 3828 werd op Tisja be Aw de Tempel met de grond gelijkgemaakt. Van zijn oude glorie bleef alleen de “Westelijke Muur” over, de Kotel Hama’aravie, de Klaagmuur.
(Bron: Talks and Tales)
