Galerij der Groten – De Vier Gevangenen

Ruim 1000 jaar geleden begonnen de grote Joodse gemeenschappen in Babylon in grootte af te nemen. Het grootse tijdperk van de Gaoniem en de grootste Babylonische jesjiewot liep ten einde. Tegelijkertijd verplaatste het centrum van het Joodse volk en de joodse geleerden zich naar het westen, langs de kusten van de Middellandse zee. De joodse gemeenschappen in Egypte, Tunesië, Spanje en Italië groeiden snel. Door G’ddelijke Voorzienigheid kregen deze Joodse centra grote geestelijke leiders op een heel verrassende en nooit eerder vertoonde wijze…
Op een dag, in of rond 4760 (1000) bevonden zich vier grootse rabbijnen aan boord van een schip op de blauwe wateren van de Middellandse zee. Zij waren goede vrienden van elkaar en hadden elkaar in de stad Bari in Italië ontmoet om samen naar Siponte, een haven aan de Middellandse zee, te varen, waar een bekende wederzijdse vriend zijn dochter uithuwelijkte.
Het waren vier van de grootste rabbijnen van die tijd. Het waren rabbi Sjemarieja, rabbi Hoesjieel en Rabbenoe Mosje ben Enoch die vergezeld werd door zijn vrouw en zijn zoon Enoech die naar zijn grootvader genoemd was. De naam van de vierde rabbi is niet precies bekend.
In die tijd waren er veel zeerovers die hun geld verdienden door schepen te kapen en de passagiers als slaven te verkopen. Een van de meest beruchte piraten was een zekere Ibn Roemahis, en toen deze op een zekere dag de zee en tussen Italië en Griekenland afstruinde, kreeg hij het schip waarop de vier rabbijnen zich bevonden in zicht. Na een kort maar fel gevecht kaapte Ibn Roemahis het schip en nam hij alle passagiers gevangen.
Toen hij zijn menselijke buit bekeek vielen hem meteen de vier eerbiedwaardige rabbijnen op. Hij wist dat hij voor hen een mooie prijs kon krijgen van de grote Joodse gemeenschappen in Egypte, Tunesië, Spanje of Italië. Ibn Roemahis voer naar Alexandria in Egypte waar hij rabbi Sjemarieja te koop aanbood. Hij wilde een hoge borgsom voor hem hebben en de Joden van Alexandria betaalden deze. Toen rabbi Sjemarieja weer vrij was, vestigde hij zich in Fostat, het oude Cairo. Toen de Joden er achter kwamen dat hij de beroemde rabbi Sjemarieja was, vroegen ze hem of hij hun opperrabbijn wilde worden. Rabbi Sjemarieja was de Joden van Egypte erg dankbaar en dacht dat hij veel goed kon doen door daar een jesjiewa op te richten en de kennis van de Tora te verspreiden. Daarnaast was hij niet van plan opnieuw zijn leven te riskeren door zijn eigen gemeente via de zee te bereiken. En zo bleef rabbi Sjamarieja in Fostat, geliefd en gerespecteerd.
Ibn Roemahis vervolgde zijn reis langs de Afrikaanse kust tot hij de grote haven van Kairwan in Tunesië bereikte. Daar bood hij zijn tweede gevangene, rabbi Hoesjieel, aan de Joodse gemeenschap te koop aan. Ook hier betaalde de Joodse gemeenschap het volledige bedrag aan losgeld dat de piraat verzocht.
Kairwan was in die tijd een groot Joods centrum en rabbi Hoesjieel had daar altijd al naar toe willen gaan in de hoop dat hij daar samen met zijn vriend rabbi Sjemarieja een Talmoed-academie kon oprichten. Nu was hij van mening dat de G’ddelijke Voorzienigheid hem daar alsnog gebracht had. Hij was echter te bescheiden om de uitnodiging van de plaatselijke Joodse leiders die hem vroegen om hun opperrabbijn te worden, te accepteren. Kairwan was namelijk de geboorteplaats van zijn vriend rabbi Sjemarieja en rabbi Hoesjieel hoopte dat rabbi Sjemarieja op een dag de opperrabbijn van zijn oorspronkelijke gemeente zou worden. Daarom stuurde rabbi Hoesjieel veel brieven naar zijn vriend in Fostat waarin hij hem dringend verzocht om naar Kairwan te komen om daar de geestelijk leider te worden. Maar zoals al eerder vermeld durfde rabbi Sjemarieja geen nieuwe zeereis aan. De Joodse gemeente bleef rabbi Hoesjieel smeken om hun rabbijn te worden en ook de ouderen van de stad vroegen hem om de stad te eren door leider van de Joodse gemeenschap te worden. En dus stemde rabbi Hoesjieel uiteindelijk in om opperrabbijn van Kairwan te worden waar hij door iedereen geliefd was en door iedereen gerespecteerd werd. Hij richtte daar een grootse jesjiewa op en had veel leerlingen. Maar zijn beste leerlingen waren zijn zoons Rabbenoe Channanel en Rabbenoe Nissiem, die beiden de grootste Talmoeddeskundigen van de volgende generatie zouden worden.
Ibn Roemahin voer door naar Spanje. Rabbenoe Mosje, diens vrouw en hun zoon Enoch waren nog in handen van de piraat.
Rabbenoe Mosje was nog niet hersteld van de verschrikkelijke ervaring dat hij gevangen genomen was, toen hem een andere ramp overkwam. Hij verloor zijn geliefde vrouw. Het gebeurde als volgt. De vrouw van Rabbenoe Mosje was een erg aantrekkelijke vrouw en in schoonheid werd zij slechts overtroffen door haar deugdzaamheid en eerzaamheid. De piraat wilde haar zijn vrouw maken. Hij bood haar al zijn rijkdommen en buit aan en beloofde haar dat zij de koningin van de zeeën zou worden. Terwijl Ibn Roemahin haar haar ‘glorieuze’ toekomst schetste, vroeg zij haar man in het Hebreeuws of er voor haar een plaats in de komende wereld zou zijn als zij haar leven zelf zou beëindigen om zo aan deze bruut te ontkomen. Rabbenoe Mosje antwoordde zonder de aarzelen, waarbij hij de woorden van de Psalmist (68:32) citeerde “G’d zei… Ik zal je terugbrengen uit de diepten van de zee…” Zij sprong vervolgens overboord en verdronk.
Deze tragedie was een verschrikkelijke klap voor de nu weduwnaar geworden rabbi en zijn zoon, maar zij waren trots op haar en het gaf hun moed om hun problemen met echte Joodse moed en vertrouwen te ondergaan.
Na vele dagen op zee wierp het schip zijn anker uit in Cordoba, Spanje. De Joden van Cordoba betaalden het losgeld voor Rabbenoe Mosje en zijn zoon en zij werden vrijgelaten. Rabbenoe Mosje en zijn zoon waren zo bescheiden dat zij niet lieten weten dat zij grote geleerden waren. Zij woonden de Talmoed lessen in de grote academie van Cordoba bij, maar namen geen deel aan de debatten, opdat niet bekend zou worden dat zij in werkelijkheid niet zo onwetend waren als zij zich voordeden.
Op een dag echter, toen Rabbenoe Mosje in de academie luisterde naar een Talmoedische verhandeling door rabbi Nathan de Dayan gemeentelijke rabbijn van Cordoba, hoorde hij dat deze een fout maakte op een punt met betrekking tot de Halacha. Na de les ging Rabbenoe Mosje, die in de gemeente simpelweg bekend stond als ‘de gevangene’, naar rabbi Nathan toe en maakte hem heel bescheiden attent op de fout die hij gemaakt had en vervolgens legde hij de gehele kwestie zo duidelijk uit dat rabbi Nathan perplex stond. Deze realiseerde zich meteen dat er niet zomaar een simpele ‘gevangene’ voor hem stond, maar een groot geleerde en Talmoed-deskundige. Rabbi Nathan haastte zich naar zijn collega’s en riep uit: “Ik kan niet langer de Dayan van deze gemeenschap zijn. De arme ‘gevangene’ hier is een groot geleerde. Hij is mijn meester en ik zal het als een voorrecht beschouwen om zijn leerling te zijn. Laten wij hem smeken de Dayan van onze gemeente te worden!”
Zo sprak een groots man over een nog grotere man. En vanaf toen stond Rabbenoe Mosje niet alleen in Cordoba bekend, maar in vele Joodse gemeenten in Spanje en ver daarbuiten. De grootste rabbijnen en geleerden legden hem hun vragen en problemen met betrekking tot de Talmoed en Halacha voor. Veel veelbelovende mannen kwamen naar Cordoba om aan de academie van Rabbenoe Mosje te leren en Cordoba werd al snel het florerende Joodse centrum van kennis waar beroemde joden zoals Mozes ibn Ezra, Jozef ibn Migas, Juda Halevi, en Maimonides opgroeiden en onderwijs kregen. De beroemde Joodse minister van kalief Abdarrachman, Chasdai ibn Sjaproet, was een persoonlijke vriend van Rabbenoe Mosje en ook de kalief zelf was erg trots op het feit dat Cordoba zo bekend stond vanwege de grootse Joodse academie.
(Bron: Talks and Tales)
