Hoofdstuk III: Het Doel van de Schepping

Door Dr. Nissan Mindel
De vraag ‘Wat is het doel van de Schepping?’ heeft de aandacht van denkers en filosofen van alle tijden in beslag genomen. Deze vraag hangt in nauwe mate samen met de vraag ‘Wat is de funktie van de mens in het Scheppingsplan?’, en zoals kan worden verwacht, houdt Chabad zich uitvoerig met beide vragen bezig.
In het kort is de uitleg als volgt: Voordat de wereld geschapen werd, was er slechts G’d alleen, de volmaakte Eenheid, die alle ‘ruimte’ vulde, daarbij inbegrepen de ‘ruimte’ van de wereld die daaropvolgend geschapen werd.¹ G’d bleef onveranderd na de Schepping, want de vernieuwing was er slechts in de geschapen dingen die een bestaan en leven ontvingen van Zijn Oneindig Licht,² nadat het Licht en het Leven van Hem afkomstig, dermate ‘verzwakt en kleiner gemaakt’ waren, dat zij in staat waren aardse en lichamelijke dingen te doen bestaan en beleven. Zo werden een reeks werelden geschapen, de ene ‘ruimer’ dan de andere, die achtereenvolgens het Licht en het Leven van de Schepper afkomstig, verborgen, totdat onze eigen materiële en stoffelijke wereld tot stand kwam, die het meeste het G’ddelijke Licht verbergt en die de allerdonkerste is, zozeer, dat het mogelijk is dat er dingen in deze wereld bestaan die zich niet aan G’d storen.³
Aangezien onze wereld in de keten van de Schepping de laatste en ‘laagste’ is, lager dan welke er geen andere is, volgt daaruit dat onze materiële wereld het hoofddoel der Schepping is.
Bovendien kan de keten van de verscheidene werelden, de ene lager dan de andere, niet geschapen zijn terwille van de hogere werelden; ten eerste is de uitstraling van het Licht van G’d daar minder dan in de oorspronkelijke toestand en ten tweede is de nieuwe toestand blijvend. Maar de keten moet geschapen zijn voor deze wereld, de laagste, waar aan de mens de macht gegeven werd de kwade krachten te onderwerpen en duisternis in licht te veranderen – een licht dat helderder zou lijken juist door dat kontrast met de duisternis – waardoor aan de mens de gelegenheid geboden wordt boven het peil van zelfs de hogere werelden uit te komen.⁴
Op gelijke wijze is af te leiden dat de mens het doel van onze wereld is, aangezien de mens het laatst geschapen werd, na achtereenvolgens het dierenrijk, het plantenrijk en het rijk van de mineralen.
Aangezien deze, onze, wereld het doel is van de G’ddelijke openbaring, en de mens het voorwerp of doel van deze wereld is, volgt daar bovendien uit dat het lot van de wereld nauw samenhangt met dat van de mens.
Onze Wijzen hebben gezegd (Tanchoema, Naso 16), ‘G’d verlangde ernaar een woonplaats te hebben in de ’lagere’ wereld.’ Rabbi Shneur Zalman⁵ legt dit gezegde als volgt uit: ’Het was Zijn Wil genoegen te ontlenen aan de onderwerping van de Sitera achra⁶ en aan de omzetting van duisternis in licht.’⁷
‘Het is de aard van het goede om goed te doen.’⁸ G’d is goed, en daarom gaf G’d de wereld en de schepselen bestaan en leven. Nu zou G’d natuurlijk bij het proces van G’ddelijke uitstraling hebben kunnen stoppen nog vóór onze wereld en de Schepping hebben kunnen besluiten met de hogere vorm van schepselen zoals engelen. Maar ’Een kaars schijnt het stralendst in de duisternis’, en ‘De superioriteit van het licht wordt het meest naar waarde geschat in vergelijking met de duisternis.’ Het was G’d’s verlangen dat Hij zelfs door aardse en stoffelijke schepsels erkend zou worden, en dat het ‘licht’ van G’d onthuld zou worden in deze donkere wereld door de onderwerping van de krachten van ‘verzet’.⁹
Hierin ligt de funktie van de mens. Wanneer de mens eet en drinkt, niet met het eenvoudige doel zijn honger en dorst te stillen, zoals een dier, maar met het idee om de kracht te hebben de G’ddelijke wetten te vervullen; wanneer hij niet louter zwoegt en werkt om in comfort te leven, maar om anderen in staat te stellen ook te leven – overeenkomstig het gebod van liefdadigheid – in dat geval worden het voedsel dat hij eet en verteert en de energie die hij daarvan krijgt, op de juiste wijze gebruikt, beantwoordend aan het doel stoffelijke zaken in geestelijke te veranderen.
Wanneer de mens zijn plicht en opdracht in het leven vervult, bereikt hij bovendien niet slechts wat zijn eigen doel is in het ontwerp van de Schepping – een doel dat hem is opgelegd door de Schepper – maar helpt hij ook de rest van de wereld rond hem, daarbij inbegrepen de dieren, de organische en anorganische ‘rijken’, het hunne te bereiken. Want alles wat in deze wereld geschapen is, werd in ‘dienst’ van de mens gesteld. De mens is voor zijn onderhoud afhankelijk van de andere vormen van leven (daarbij inbegrepen het niet-levende, dat ook een ‘G’ddelijke vonk’ bezit, die het bezielt en in stand houdt¹⁰). Wanneer daarom de mens de energie die hij krijgt van bijvoorbeeld een glas melk, gebruikt om zijn opdracht in het leven te vervullen, dan hebben de koe die de melk geeft, de weide waarop de koe graast, het glas waaruit hij nu net de melk drinkt, en alles en iedereen die te maken heeft met de vervaardiging van de melk en het vervoer ervan van de boerderij naar de ijskast, hun deel bijgedragen in het bereiken van het G’ddelijk doel van de Schepping.
Omgekeerd, als de mens zijn energie gebruikt om te bedriegen of te doden of om op andere manier de wereld van G’d te schenden, heeft hij niet slechts zijn plicht en opdracht in het ontwerp van de Schepping niet vervuld, maar heeft hij ook zowel zichzelf als anderen en de wereld rond zijn aandeel schade berokkend.¹¹
Om deze zaak samen te vatten: Alles wat de mens uit verteerd voedsel. Het voedsel van de mens is afkomstig van dieren, planten en mineralen. Dientengevolge is het zo dat de mens, wanneer hij zijn plicht en opdracht in het leven vervult, niet alleen zelf een hogere graad van volmaaktheid bereikt, maar dat hij ook de rest van de wereld rond hem (‘zijn aandeel in de wereld’) in staat stelt zich te verheffen van de lagere toestand van stoffelijkheid tot de hogere toestand van geestelijkheid. Deze wereld wordt dan werkelijk ‘een woonplaats’ voor de Schepper.
Noten (Hoofdstuk 3)
- De term ‘ruimte’ die hier gebruikt wordt, moet niet letterlijk opgevat worden, aangezien het werkelijk bestaan van ‘ruimte’ een schepping is; dit is echter niet de plaats voor een nauwgezette uitwerking van het onderwerp.
- De G’ddelijke openbaring wordt bij Chabad genoemd – ‘Or En Sof’; het Licht van de Oneindige (of het Oneindig Licht), aangezien juist het essentiële van G’d helemaal onbegrijpelijk is. ‘Precies zoals de ziel het hele lichaam vult en het leven geeft, zo vult G’d de hele wereld en geeft er leven aan. Maar kunnen we zeggen dat de hele essentie en funktie van de ziel is dat ze het lichaam in stand houdt? Hoezeer minder nog kunnen we zeggen dat de hele Essentie van G’d is dat Hij de werelden en alle schepselen schept en in stand houdt. Hier ligt heel wat onvatbaar voor de menselijke geest.’ (Some Aspects of Chabad Chassidism, p. 20; zie noot 5, Hdst. II).
- Tanja, hdst. 36.
- Ibid.
- Zie noot 12, Inleiding.
- Sitera achra – ‘De andere kant’, de kabbalistische term voor alle kwade krachten die zich niet bevinden aan ‘de kant van heiligheid’; (Tanja, hdst. 6).
- Tanja, hdst. 36.
- Shaär Hajichoed Wehaemoena, hdst. 4; zie ook Chacham Zvi (Responsa) 18, door Rabbi Zvi Hirsch ben Jakob Ashkenazi (1660-1718); Sjomer Emoeniem, 2,14, door Rabbi Jozef Irgas (1685-1730), die citaten geven van de kabbalisten.
- Tanja, hdst. 36.
- Shaär Hajichoed Wehaemoena, Hdst. 1.
- Tanja, hdst. 37.
