De G’d van toen is de G’d van nu

Op de Stenen Tafelen stond de tekst van de Tien Uitspraken/Geboden. De eerste Uitspraak luidt: “Anogie Ha’sjeem Ellokega. Ik ben Ha’sjeem uw Ellokiem Die u uit Egypte heeft gevoerd, uit het huis der slaven”. Met deze woorden heeft G’d Zijn wezen en Zijn eigenschappen aan de mensheid geopenbaard. Tevens heeft Hij met deze Uitspraak te kennen gegeven dat het een gebod is zich de G’dsvoorstelling eigen te maken. Wel nu:

  • G’d is de schepper van de wereld. Met de “wereld” wordt, uiteraard, niet alleen de aarde bedoeld, maar het gehele heelal, hogere sferen, enzovoort, kortom: alles wat er is. Als de Schepper is G’d boven de Schepping verheven. Dat wil onder andere zeggen dat alle verschijnselen en begrippen van de schepselen en het geschapene niet op Hem van toepassing zijn.
  • Bijvoorbeeld: onze stoffelijke wereld kan omschreven worden als een (minstens) vierdimensionaal systeem van Tijd en Ruimte. De verhevenheid van G’d betekent dan, dat Hij – als Schepper van Tijd en Ruimte – “boven” deze begrippen Tijd en Ruimte is verheven.
  • Dat G’d boventijdelijk is kunnen wij ons misschien nog voorstellen. Maar dat Hij alomtegenwoordig is, gaat ons voorstellingsvermogen vrijwel te boven.
  • Want die alomtegenwoordigheid betekent dat alles G’d is …. Dat de wereld “in G’d” bestaat.
  • Ondanks de onvoorstelbaarheid ervan is de exacte wetenschap tot hetzelfde inzicht gekomen: “De mens en de materie zijn niet uit tastbaar materiaal opgebouwd, maar uit volstrekt ongrijpbare processen zonder afgebakende grens tussen geest en materie. Wetenschappelijk blijkt dat geest en lichaam, tijd en ruimte, universum en atoom allemaal aspecten zijn van één en dezelfde werkelijkheid, die steeds meer begint te lijken op één grote Gedachte.”
  • Hoe moeten wij proberen ons voor te stellen, dat enerzijds G’d het enige Bestaande is maar dat wij anderzijds de wereld – en onszelf – als een realiteit ervaren?
    Het summiere antwoord op deze vraag luidt: de wereld – met alles wat haar vult – is een manifestatie van G’d, een verschijningsvorm (de “grote Gedachte” in het wetenschappelijke citaat) Door Zijn Aanwezig-zijn te verbergen doet G’d de wereld bestaan. Hij is er wel maar Hij heeft zich verborgen. Wij bestaan slechts dànkzij die verborgenheid; een verborgenheid die – het zij uitdrukkelijk opgemerkt – alléén ten opzichte van ons, de schepselen, de wereld bestaat. Niet ten opzichte van G’d.
  • Het Hebreeuwse woord olam betekent “eeuwigheid” en “wereld,” tijd” èn “ruimte”. De stam van het woord betekent “verbergen”.
  • Dankzij dat “verduisteringsproces” is G’d niet alleen “verheven” boven Tijd en Ruimte, maar tegelijkertijd “aanwezig” met ons, wezens van Tijd en Ruimte, bezig. Hij weet wat hier en nu gebeurt. Hij is in ons geïnteresseerd en verwacht wat van ons.
  • Dat onder andere is wat G’d op de berg Sinai openbaarde: “Ik ben enerzijds Ha’sjeem – verheven boven de begrippen Tijd en Ruimte – maar tegelijkertijd Ellokèga, uw G’d, een G’d met Wie een mens – een wezen van vlees en bloed, een wezen met een in tijd beperkte levensduur en een in ruimte begrensde lichaam – in ‘persoonlijk’ contact kan staan”. Want G’d mag dan hoog verheven zijn, Hij is toch – als het ware tastbaar – dicht bij ons aanwezig.
  • Zo dachten de aartsvaders over G’d en eenzelfde G’dsvoorstelling resulteert uit recente inzichten van de theoretische fysica. De cirkel is weer rond. 

Bron: Rond de Bron

Rabbijn Ies Vorst (1938–2023) overleefde als kind de Holocaust en werd later de eerste hoofd-sjaliach (afgezant) van de Lubavitch – Chabad beweging in Nederland. Gedurende bijna zes decennia gaf hij leiding, onderwijs en inspiratie aan de Joodse gemeenschap. Zijn woorden en daden zijn een bron van licht voor velen, binnen en buiten de Joodse gemeenschap.