Het verhaal van Tsidkieja’s opstand

Tsidkieja was eenentwintig jaar oud toen hij de wankelende troon van Judea besteeg. De waarschuwingen van Jeremia en de andere profeten werden in de wind geslagen. Er was geen enkel teken van algemeen berouw en een terugkeer naar G’d en zodoende werd het lot van Judea bezegeld. Tsidkieja had trouw beloofd aan de koning van Babylon, maar brak zijn belofte en sloot zich in het geheim aan bij Egypte, in een poging het juk van Nebukadnezar van zich af te werpen. De smeekbeden en waarschuwingen van Jeremia vonden bij hem geen gehoor en Tsidkieja ging een bondgenootschap aan met Egypte. In het negende jaar van zijn regeerperiode verklaarde Tsidkieja openlijk de oorlog aan de Chaldeeërs. Opnieuw stuurde Nebukadnezar een grote legermacht om de opstand te onderdrukken. Terwijl Nebukadnezar zelf in Riebla bleef, stuurde hij zijn troepen onder leiding van zijn hoogste generaal Nebuzaradan, naar het zuiden. Op de Tiende Tevet, in het jaar 3336, werd Jeroesjalajiem belegerd.
Het advies van Jeremia wordt genegeerd
Tsidkieja vroeg nu aan Jeremia om tot G’d voor hulp te bidden. Jeremia antwoordde dat het lot van Judea al bezegeld was en dat Tsidkieja, zijn zonen, bedienden en al degenen die in de stad zouden blijven, genadeloos afgeslacht zouden worden. Alleen zij die zich aan de Babyloniers zouden overgeven, zouden gespaard worden. Tsidkieja luisterde niet naar het advies van Jeremia en weigerde zich over te geven.
Jeremia wordt in de gevangenis gegooid
Ondertussen was Nebukadnezar gedwongen om de belegering van Jeroesjalajiem tijdelijk te onderbreken, omdat de koning van Egypte een grote troepenmacht tegen hem op de been had gebracht. Jeremia voorspelde echter dat de Chaldeeërs terug zouden keren en de stad opnieuw zouden aanvallen en verwoesten. Jeremia, die tot dusver getolereerd werd, werd er nu van beschuldigd dat hij met de vijand zou heulen en werd in de gevangenis gegooid. De wanhopige koning liet hem echter al weer snel uit de kerker halen en vroeg hem om een boodschap van G’d. Maar ook nu kon Jeremia alleen maar herhalen wat hij al eerder gezegd had. Het lot van de koning, net als dat van de stad, was bezegeld; niets kon meer voorkomen dat zij in de wraakzuchtige handen van de vijand zouden vallen. Jeremia vroeg om een betere cel dan de kerker waarin hij werd vastgehouden. De koning stemde met dit verzoek in en Jeremia kreeg iedere dag een brood, tot de tijd kwam dat er geen brood meer in Jeroesjalajiem te krijgen was.
Jeremia wordt in de modderput gegooid
Jeremia’s herhaaldelijke voorspellingen over de op handen zijnde val van de stad en zijn smeekbeden om de stad over te geven, wekten de woede op van de verdedigers van de stad. De profeet werd door zijn tegenstanders opgepakt en in een put gegooid waar hij bijna in de modder verdronk. Ebed Mèlèch van Koesj, een bediende van de koning, hoorde hier van en rapporteerde dit aan koning Tsidkieja. De koning beval de bediende om Jeremia uit de put te halen. De bediende deed dit en kon het leven van Jeremia zo nog net op tijd redden. Opnieuw liet Tsidkieja Jeremia voor zich brengen en vroeg hij om een G’ddelijke boodschap. Jeremia vroeg of hij vrijuit mocht spreken, zonder dat hij bang hoefde te zijn om gedood te worden. De koning bezwoer hem dat wat hij ook zou zeggen, hem niets zou overkomen en dat de koning zelf hem tegen zijn vijanden zou beschermen. Toen zei Jeremia tegen de koning dat als deze de stad zou verlaten en zich aan de vijand zou overgeven, hij zou blijven leven en de stad gespaard zou worden. Maar de koning was bang voor de woede van het volk en durfde het advies van de profeet niet op te volgen. Hierna werd Jeremia veilig achter tralies gezet en bleef daar tot na de inname van Jeroesjalajiem.
De inname van Jeroesjalajiem
In het elfde jaar van de regeerperiode van Tsidkieja, in de maand Tammoez, werd na een lange belegering, waarin de stad door hongersnood en ziekte geteisterd werd, een bres geslagen in de muren van Jeroesjalajiem. De koning vluchtte door een ondergrondse vluchtroute, maar werd op de vlakten rond Jericho gevangen genomen en voor Nebukadnezar in Riebla gebracht. Daar werden de zonen van de koning en vele andere Joodse prinsen voor zijn ogen vermoord; vervolgens werden zijn eigen ogen uitgestoken en werd hij in ketenen naar Babylon afgevoerd.
(Bron: Talks and Tales)
