Het verhaal van Ruth

Het TeNaCH – Bijbelboek van Ruth werd door de profeet Samuel geschreven. Het is om twee redenen toepasselijk om het boek Ruth op Sjawoe’ot te lezen: ten eerste omdat Sjawoe’ot een oogstfeest is en het boek van Ruth ons een blik gunt op de oogst en hoe de armen in het oogstseizoen met sympathie en liefde behandeld werden. Ten tweede omdat Sjawoe’ot de sterfdag van Koning David is en in het boek Ruth vinden we de oorsprong van het Huis van David. Koning David was namelijk een achterkleinzoon van Ruth en Boaz.
Maar misschien is de belangrijkste reden om op dit feest het boek Ruth te lezen het feit dat Sjawoe’ot “Zeman Mattan Torateenoe” is, de “Tijd van het Geven van onze Tora”. Ruth is het type van de perfecte Ger Tsèdèk, de perfecte Proseliet, een persoon die tot het Jodendom overgaat. En wij, toen wij de Tora ontvingen, beloofden net als de Ger Tsèdèk de Tora te accepteren en de 613 mitswot te vervullen.
Ruth was een Moabitische prinses met een verfijnd karakter. Zij was ontevreden over de afgoderij van haar eigen volk en toen de mogelijkheid zich voordeed, gaf zij haar koninklijke privileges op om een leven van armoede tussen de mensen die zij bewonderde, te accepteren.
Hier kunnen jullie lezen hoe één en ander tot stand kwam.
Het was in de dagen dat de Rechters over Israël regeerden (2516-2830/1244-930 B.C.E.). Wij waren laks geworden om volgens de Tora te leven. G’d wilde ons een lesje leren. Er brak een grote hongersnood uit in het land Israël.
In het stamgebied van Jehoeda leefde er een man, genaamd Elimèlech. Hij was een rijke koopman die niet aan honger en armoede gewend was en hij dacht dat hij de misère kon ontsnappen door te verhuizen. Hij nam zijn vrouw Naomi en hun twee zonen mee en zij vertrokken naar het land van Moab.
Ruth raakte met deze Joodse familie bevriend. Zij leerde de wetten en gebruiken van het Jodendom en bewonderde deze. De ontevredenheid die zij al had ten aanzien van de betekenisloze afgoderij van haar eigen volk, werd nu alleen maar versterkt. En toen één van de zonen haar vroeg met hem te trouwen, was zij hier erg blij en trots om. Zij had geen enkele moeite haar luxe leventje in het paleis en haar koninklijke titel met vooruitzichten van grote rijkdom en eerbied in de toekomst op te geven. Want zij zag het egoïsme en de genadeloosheid van haar eigen volk en het verschil met de Joden aan wie zij zich had gehecht.
Elimèlech en zijn twee zonen stierven en Naomi bleef als een arme weduwe achter. Zij wist niet wat zij moest doen of waar naar toe te gaan. Tenslotte zei zij tegen Ruth en haar andere Moabitische schoondochter Orpa: “Mijn dochters, ik moet hier weg. Ik heb besloten om naar mijn geboortestad Bethlehem terug te keren. De zaken zullen daar niet al te best zijn en daarom is het voor jullie beter niet mee te gaan. Neem mijn advies ter harte en keer terug naar het huis van jullie ouders. Jullie echtgenoten zijn dood en als jullie in jullie eigen land blijven, zullen jullie andere mannen vinden om mee te trouwen. Mijn zonen ben ik voor altijd kwijt, maar jullie zijn jong en kunnen nog nieuwe echtgenoten vinden.”
Orpa keek bedroefd en kuste haar schoonmoeder gedag. Maar Ruth bleef bij Naomi en met ontroerende woorden smeekte zij om met haar mee te mogen gaan: “Ik zal je niet verlaten, maar je volgen. Waar jij heen gaat zal ik gaan, waar jij zult wonen, zal ik wonen. Jouw volk is mijn volk en jouw G’d is mijn G’d. Waar jij sterft wil ik sterven en daar wil ik begraven worden. Moge G’d ervoor zorgen dat alleen de dood ons zal scheiden.”
Ruth wist heel goed wat zij deed. Naomi had haar veelvuldig over de moeilijkheden waarmee ons volk altijd geconfronteerd wordt verteld. Maar Ruth was vastbesloten om haar schoonmoeder te volgen en het geloof dat haar zo dierbaar was geworden, vast te houden.
De toekomst zou uitwijzen dat Ruth op bijzondere wijze voor haar vastberadenheid zou worden beloond.
Het was oogsttijd toen Ruth en Naomi in het land van Jehoeda aankwamen. Uitgeput van de reis haalde Ruth Naomi over om uit te rusten, terwijl zij zelf de velden rondom Bethlehem verkende om voedsel te vinden.
Ruth ging een veld in waarin veel mannen bezig waren tarwe te snijden. Anderen bonden de korenhalmen in schoven, terwijl weer anderen de schoven op karren gooiden en daarmee wegreden.
Aarzelend, maar aangemoedigd door haar honger en door de gedachte dat zij iets voor haar schoonmoeder moest halen, ging Ruth het veld in en zette zich even neer om te rusten en te zien of zij hier misschien iets van haar gading vond.
Plotseling werd zij opgeschrikt door een stem die haar vriendelijk toesprak: “Moge G’d met u zijn vreemdelinge! Kom, ga maar het veld in. Wees niet beschaamd. Verzamel wat koren en verzadig je!”
Het was Boaz, de eigenaar van het veld, die Ruth op deze manier toesprak. Ruth bedankte hem en plukte wat graan. Toen ze op het punt stond om weer te vertrekken, riep Boaz haar om nog even te blijven en wat “Pee’a” te verzamelen.
“Wat is Pee’a”, vroeg Ruth.
“De Tora vertelt ons dat als de eigenaar van een veld zijn graan gesneden heeft, hij niet alle graan van zijn veld mag snijden. Een deel moet hij voor de armen, de behoeftigen en de vreemdelingen overlaten, die dit graan voor zichzelf mogen snijden,” antwoordde Boaz.
“Wat mooi,” riep Ruth uit. En zij bleef nog en sneed koren van een van de hoeken van het veld. Daarna wilde zij opnieuw weggaan.
“Ga nog niet weg,” zei Boaz. “Blijf nog even. Je hebt recht op Lèkèt”. “Wat is Lèkèt?” vroeg Ruth.
“De Tora zegt dat degene die oogst en korenaren heeft laten vallen, deze niet mag oprapen. Hij moet de aren voor de armen en vreemdelingen achterlaten,” legde Boaz geduldig aan Ruth uit. Hij vond haar steeds aantrekkelijker en vond dat hij nooit eerder zo’n prachtige en nobele vrouw gezien had. Ruth zei niets, maar zag geen reden om geen gebruik te maken van de voordelen van de wetten van de Tora die zij zelf omarmd had.
Toen ze een mand vol verzameld had, ging zij naar Boaz en bedankte hem oprecht voor zijn vriendelijkheid, waarna zij weg wilde gaan.
“Waarom ga je al weg? Er zijn nog Sjikga schoven!”
“Wat is Sjikga? vroeg Ruth.
“Als de boer zijn graan naar de korenschuren brengt, kan het zijn dat hij enkele schoven op het veld heeft vergeten. De Tora verbiedt hem om terug te gaan en deze op te halen. Hij moet de vergeten schoven achterlaten. Zij zijn voor de armen, de weduwen, de wezen en de vreemdelingen.”
Ruth was erg blij. Zij had zoveel koren verzameld, genoeg voor een lange tijd. Naomi en zij waren nu weer voor enige tijd van proviand voorzien. Zij bedankte Boaz opnieuw en hij liet haar beloven dat zij nog eens terug zou komen.
Intussen had Boaz inlichtingen verzameld over de aantrekkelijke vreemdelinge die zijn hart veroverd had en hij begreep dat zij de schoondochter was van de weduwe Naomi.
Opgewonden vertelde Ruth haar schoonmoeder wat er die dag in de velden van Boaz gebeurd was. Naomi was blij dat Ruth zo succesvol was geweest en dat zij genegenheid had gevonden in de ogen van Boaz, de rijke landeigenaar. En toen Boaz Ruth vroeg om met hem te trouwen, spoorde Naomi haar aan om dit te doen.
Zo werd Ruth onverwacht beloond met rijkdom en geluk. Zij en Boaz werden gezegend met een zoon: Oweed. Oweed was de vader van Jisjai en Jisjai was de vader van koning David die op Sjawoe’ot werd geboren en op Sjawoe’ot overleed. Wat bijzonder voor Ruth om de overgrootmoeder te mogen zijn van koning David en daarmee ook de voormoeder van de Masjieach!
(Bron: Talks and Tales)
