De Bezoeker van de Ba’al Sjem Tov

De Ba’al Sjem Tov was in gedachten verzonken. Plotseling ging de deur van zijn kamer open en zijn bediende kondigde een bezoeker aan.
Het was een man van middelbare leeftijd, goed gekleed en hij zag eruit alsof hij veel geld had. In antwoord op de vraag van de Ba’al Sjem Tov naar het doel van zijn bezoek, zei de vreemdeling: “Toen ik uw naam hoorde, wilde ik uw heilige gezicht zien en uw zegeningen ontvangen, ondanks dat ik G-d dank niets nodig heb.”
De Ba’al Sjem Tov bestudeerde het gezicht van de vreemdeling en zei toen: “Het is geschreven, dat G-d bepaalt waar de mens heen gaat. Dat betekent dat een Jood nergens naartoe gaat zonder daar door G-ddelijke Voorzienigheid naar toe gedirigeerd te zijn. U zult het misschien niet weten, maar u bent hier niet uit vrije wil gekomen.” De vreemdeling keek verbaasd, maar zei niets. Tot zijn verbazing begon de rabbi hem een verhaal te vertellen:
“Ooit leefden er twee jongens die erg aan elkaar gehecht waren. Zij gingen samen naar Cheder, speelden samen en haalden samen kattenkwaad uit. De jaren vlogen om en al gauw waren het geen jongens meer maar volwassen mannen, getrouwd en ieder met een eigen zaak, wonend bij hun schoonfamilie in verschillende steden. Zo werden de twee vrienden gescheiden. De zaken liepen heel goed en zij verdienden fortuinen. Maar één van hen kreeg later tegenslag na tegenslag te verwerken en hij verloor al zijn geld.
De arme man besloot om hulp te zoeken bij zijn vroegere vriend. Toen hij daar aankwam, werd hij hartelijk verwelkomd. Zij haalden herinneringen op uit de goede oude tijd toen zij nog jongens waren. Uiteindelijk vroeg de gast aan zijn bezoeker wat nu eigenlijk de reden was van zijn onverwachte bezoek. De bezoeker vertelde dat hij flinke tegenslagen te verduren had gekregen en dat hij zijn hele fortuin verloren had. Hij moest zelfs kleding en geld lenen om zijn vriend te bezoeken.
Zijn gastheer vrolijkte hem op en vertelde hem dat hij niks had om zich zorgen over te maken. Hij riep zijn boekhouder en liet hem een balans opmaken van zijn bezittingen. Tot verbazing van zowel de boekhouder als de bezoeker, liet hij de helft van zijn fortuin overmaken aan zijn arme vriend. “Beste vriend,” zei hij “wij hebben altijd ons eten, ons snoep en alles wat we hadden, gedeeld. Ik ga nu opnieuw alles wat ik heb met jou delen!”
De arme man keerde als een rijk man terug naar huis. Hij ging weer in zaken en in korte tijd verdubbelde hij zijn fortuin.
En wat gebeurde er met de ander? Deze kreeg allerlei tegenslag te verwerken. Alles ging bergafwaarts. In korte tijd werd hij heel arm. Nu was het zijn beurt om de hulp van zijn vriend, die hij in tijd van nood geholpen had, in te roepen. Hij leende kleding en reisgeld en ging naar het huis van zijn vriend. Hij moest een flinke tijd wachten en uiteindelijk kwam er een bediende, die zei dat zijn meester de naam van zijn bezoeker niet herinnerde en dat hij sowieso te druk bezig was om iemand te ontvangen.
De arme man kon zijn oren nauwelijks geloven. Hij vroeg de bediende of hij zijn naam wel juist had doorgegeven. Dat werd door de bediende prompt bevestigd.
“Tussen ons gezegd en gezwegen,” zei de bediende, “sinds mijn meester zijn rijkdom terug heeft, is hij een harde man geworden, zonder sympathie voor wie dan ook. Het lijkt erop alsof hij bang is om zijn fortuin opnieuw te verliezen en hij kan er alleen maar aan denken hoe hij meer en meer geld kan krijgen!”
De arme man kon niets anders doen dan met lege handen naar huis terug te keren. Hij kwam de vernedering en teleurstelling niet te boven; het was de dood die hem tenslotte uit zijn lijden verloste.
Diezelfde dag kreeg de rijke man een ongeluk en ook hij overleed.
Hun twee zielen stegen allebei naar de hemel en verschenen voor de Hemelse Rechtbank om berecht te worden. De ziel van de arme man die zijn vriend zo genereus behandeld had, kreeg onmiddellijk te horen welke grote beloning hij zou krijgen. De Poorten van het Paradijs werden voor hem geopend. Maar de andere ziel werd naar een plek verbannen waar zondige zielen gereinigd worden.
Nu zei de eerste ziel verdrietig: “Hoe kan ik van het Paradijs genieten, terwijl ik weet dat mijn vriend niet bij mij is en om mij gestraft wordt?”
De ziel kreeg toestemming om het vonnis van de ander te herzien. Zonder aarzeling zei die ziel dat zij beiden weer op aarde gezet moesten worden om hun levens opnieuw te leven. Dan kan de andere ziel goedmaken waar hij eerder gefaald had! Geheel vrijwillig accepteerde deze ziel opnieuw een leven in armoede, teneinde de andere ziel te helpen.
“Enige tijd later,” vervolgde de Ba’al Sjem Tov, “werden er twee baby-jongens in twee verschillende steden geboren. Een werd geboren in het huis van een arme man, de ander werd met een zilveren lepel in zijn mond geboren, zoals het spreekwoord luidt. Toen de arme jongen opgroeide, ging hij, net als zijn vader, van deur tot deur om geld te bedelen. Op een dag kwam hij in de stad waar de rijke man woonde. Hij klopte op de deur. De rijke man opende de deur en riep uit:
‘Jij moet een vreemdeling in deze stad zijn als jij niet eens weet dat ik geen aalmoezen aan bedelaars geef. Ik geef zelfs niet aan bedelaars uit deze stad, en dus al helemaal niet aan vreemdelingen!’
De bedelaar had al drie dagen niets gegeten en voelde zich ellendig. Hij viel voor de voeten van de rijke man neer en stierf.
Welnu, wat denk jij van deze rijke man?” vroeg de Ba’al Sjem Tov, met ogen die dwars door de bezoeker heen keken.
De bezoeker van de Ba’al Sjem Tov was lijkbleek geworden. Zijn ogen vulden zich met tranen, zijn lippen trilden, maar hij kon geen woord uitbrengen. Hij herinnerde zich de bedelaar die een paar dagen eerder op zijn deur geklopt had. Hij zag weer het grauwe en vermoeide gezicht van de dode bedelaar.
“Is er nog hoop voor mij? Is er nog iets dat ik kan doen om mijn ziel te redden?” vroeg de bezoeker.
De Ba’al Sjem Tov antwoordde: “Ja, je kunt nog iets doen. Je moet de familie van de arme man vinden en om vergeving vragen. Jij moet alles geven wat zij voor hun verdere leven nodig hebben. Wat overblijft van jouw fortuin moet je onder de armen verdelen. Roep G-d dan aan met heel je hart. Want Hij is dicht bij hen die Hem in waarheid aanroepen.”
