Lezen en belevenInzicht en InspiratieHoofdstuk II: Verbinding met G’d

Hoofdstuk II: Verbinding met G’d

Lezen en Beleven

Door Dr. Nissan Mindel

De voornaamste funktie van de geboden is echter meer dan het binnen de verplichte grenzen en onder controle houden van de mens. De voorschriften hebben niet de bedoeling louter een funktie van beperking van hem te maken. Alhoewel een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en overgave fundamentele aspecten van de geboden vormen en de primaire voorwaarden voor het ware dienen van G’d vormen, zijn de geboden tegelijkertijd bedoeld om de vervuller ervan op een hoger plan van het dienen te brengen, door het vervullen ervan een echt gevoel van verheffing teweeg te brengen in de persoon van de lagere rang; hoe oneindig veel meer kan de mens baat vinden bij zijn ‘betrekking’ met G’d.

‘Het woord mitswa – gebod – betekent ook kameraadschap of vereniging¹ (van het Aramese tsavta – kameraadschap). Diegene, die een gebod vervult, wordt verenigd met de Essentie van G’d, Die dat voorschrift uitvaardigde. Dit is de betekenis van de Misjna (Awoth 4:2), ’De beloning voor een mitswa is de mitswa’, want de grootste beloning voor de vervuller is nu net de verbinding met G’d, wat bereikt wordt door het voorschrift te vervullen. Dit kan begrepen worden door het volgende voorbeeld: We nemen een eenvoudige, ongeschoolde man, die geen wijsheid of wat voor intelligentie bezit, in dusdanige mate dat hij zelfs niet beseft hoe ver verwijderd hij is van elk soort van wijsheid (want zelfs zo’n besef is een zekere mate van wijsheid). Voor een intellektueel van de hoogste orde, wiens hele wezen geconcentreerd is op het abstrakte weten, bestaat deze onwetende man eenvoudigweg niet… Laten we nu aannemen dat zo’n grote geleerde deze ontwetende man vraagt iets voor hem te doen. Onmiddellijk verwerft deze man dan een bestaan zowel in eigen ogen (nu hij ziet dat hem door de grote geleerde gevraagd is iets te doen en dat hij in staat is het verzoek van de geleerde uit te voeren) als ook in de ogen van de geleerde… Het is van geen belang wat het desbetreffende verzoek is, want de belangrijke faktor is het verzoek zélf en de uitvoering ervan. Een gebod geeft dus a) een verhevener bestaan aan de funktionaris en plaatst b) de Gebieder en degene aan wie geboden wordt in een wederzijdse betrekking…’²

Bovendien is het effect van het vervullen van de Tora en voorschriften meer dan alleen een betrekking. De vervulling leidt tot een absolute verbinding met G’d. De voorschriften zijn de Wil van G’d, Hij wil dat we ze in acht nemen. De Tora is de Wijsheid van G’d. Aangezien ’De Essentie van G’d, en Zijn Wil en Wijsheid een enkelvoudige eenheid vormen’²ᵃ, omdat er in G’d geen pluraliteit kan bestaan, volgt daaruit dat we door onze studie van de Tora en het uitvoeren van Zijn geboden in een absolute verbinding met G’d zijn2.

De G’ddelijke Wil en Wijsheid worden ‘gekleed’ in materiële dingen, d.w.z. ze worden uitgedrukt in de G’ddelijke geboden welker vervulling slechts tot stand gebracht kan worden door het gebruik van stoffelijke objecten, te weten in Tsitsiet – wol, in Tefillien – leer, etc., objecten die in hoge mate van het G’ddelijke Wezen verwijderd schijnen te zijn. De eenwording van de mens met G’d wordt daar echter niet aangetast, want het is als bij de omhelzing van een koning waarbij het er niet toe doet hoeveel kleren de koning aan heeft, aangezien het lichaam van de koning erin zit. Evenzo, wanneer men door de koning omhelsd wordt, doet het er niet toe dat de arm van de koning in kleren gevat is3.

Over de verreikende uitwerking van deze betrekking en verbinding met G’d zal later gesproken worden. Op dit ogenblik zullen we beschouwen hoe deze verbinding plaats vindt door de vervulling van de voorschriften en de studie van de Tora.

’De betrekking tussen het volk Israël en G’d door middel van onze G’dsdienst wordt in de Zohar als volgt uitgelegd: ’Drie zijn onderling samengesloten: het volk Israël, de Tora en de Heilige, gezegend zij Hij, en alle drie bevinden zich op verschillend niveau, de een hoger dan de ander, ten dele verborgen, ten dele zichtbaar.’⁴

’De betekenis van dit gezegde is dat de drie – het volk Israël, de Tora en G’d – ineengeschakeld zijn als een keten van drie ringen, waarvan het bovenste gedeelte van de laagste ring vastgehouden wordt door het onderste gedeelte van de middelste ring, en het bovenste gedeelte van de middelste ring vastgehouden wordt door het onderste gedeelte van de bovenste ring.

’Elk van de drie ringen heeft een verborgen deel en een zichtbaar deel. Evenzo zijn er zichtbare hoedanigheden en verborgen hoedanigheden bij elk van de drie: het volk Israël, de Tora en G’d…

’De aard van hun verbinding is tweevoudig:
a) De onthulde hoedanigheden van het volk Israël verenigen zich met de onthulde eigenschappen van G’d door middel van het onthulde deel van de Tora; en de verborgen hoedanigheden van het volk Israël verenigen zich met de verborgen hoedanigheden van G’d door middel van het verborgen deel van de Tora;
b) De onthulde hoedanigheden van het volk Israël en de verborgen hoedanigheden van het volk Israël verenigen zich op hun beurt met het onthulde deel van de Tora; het onthulde deel van de Tora is verbonden met het geheime deel ervan, en dit op zijn beurt verenigt zich met de onthulde eigenschappen van G’d; de onthulde hoedanigheden van G’d, tenslotte, zijn verbonden met Zijn verborgen eigenschappen en zo is de vereniging voltooid.

‘Daarom volgt daaruit dat deze eenheid met G’d aanwezig is in ieder die behoort tot het volk Israël, man of vrouw, jong of oud, bekend met de Tora of onbekend ermee. Tegelijkertijd, echter, zijn er verscheidene faktoren die op het ’voelen’ van genoemde eenheid invloed uitoefenen, hetzij een versterkende hetzij een verzwakkende.’⁵

In het Chassidisme worden de geboden ‘de kledingstukken van de ziel’ en de Tora ‘het voedsel van de ziel’ genoemd. Net zoals stoffelijk eten en stoffelijke kleding nodig zijn voor het welzijn van het lichaam, zo zijn geestelijk voedsel en geestelijke kleding nodig voor het welzijn van de ziel.

De ziel heeft drie uitingsvormen: het denken, het spreken en het doen. Wanneer men 1) de geboden van G’d in acht neemt met de daad, 2) de diepere bedoeling en betekenis van de geboden bespreekt, gebruik makend van het spraakvermogen en 3) alles wat het verstand kan begrijpen van de diepere betekenis van de Tora begrijpt door middel van het denkvermogen, wordt de ziel van de mens volledig gekleed in de G’ddelijke geboden⁶, en bevindt zich bijgevolg in een volmaakte verbinding met G’d.

Hoewel het bestuderen van de Tora een ‘kledingstuk’ is zoals ieder ander gebod, is het tegelijkertijd ook het ‘voedsel’ voor de ziel. Wanneer het verstand een wet uit de Tora ‘verteert’, neemt het de G’ddelijke wijsheid in zich op en wordt deze wijsheid, zo te zeggen, ‘vlees en bloed’ van de ziel zoals voedsel dat door het lichaam wordt verteerd en opgenomen. Vandaar de uitdrukking van de Psalmdichter (40:9), ’Uw Tora is in mijn ingewanden.’⁷

Deze verbinding met G’d door middel van de Tora en de geboden is voor de ziel wat vitaminen en calorieën, geschikt onderdak en kleding zijn voor het lichaam, en meer dan dat. Want terwijl de genoemde stoffelijke behoeften van het lichaam een vereiste zijn om het in stand te houden, is verbinding met G’d het meest essentiële van de mens.

Noten (Hoofdstuk 2):

  1. Het engelse to enjoin – to enjoin obedience (gehoorzaamheid opleggen) – heeft dezelfde betekenis. 
  2. Rabbi Joseph I. Schneersohn (de vorige leider van Chabad) in een pastorale brief, Hatomiem, Deel 1, blz. 25.
    1. Zie noot 11, Inleiding. 
  3. 3. Tanja, hdst. 4. 4. Verg. Zohar III, 73a. 
  4. 5. Tanja, hdst. 35, 52.
  5. Some Aspects of Chabad Chassidism, door Rabbi Joseph I. Schneersohn met een Biografische Schets door Nissan J. Mindel, uitgegeven door Machne Israel, Brooklyn, N.Y., 1961, blz. 20 en 23. 
  6. Tanja, hdst. 4. 
  7. Ibid. hdst. 5.