Hoofdstuk V: Het Stoffelijke en het Geestelijke

Door Dr. Nissan Mindel
We hebben al gesteld¹ dat alle dingen die in deze wereld geschapen zijn, een eigen doel hebben in het ontwerp van de Schepping, en dat de mens door het vervullen van de G’ddelijke voorschriften niet alleen de hoogste graad van volmaaktheid bereikt, maar dat hij tegelijkertijd de rest van de wereld rond hem – zijn deel in deze wereld – verheft van een lage toestand van stoffelijkheid tot de hogere toestand van het geestelijke. Met andere woorden, wanneer de mens zijn energie gebruikt overeenkomstig de G’ddelijke Wil, brengt hij automatisch een stand van zaken teweeg waarin alle andere energie welke door schepsels en objekten – in de organische en anorganische ‘rijken’ – geproduceerd wordt, bijdraagt tot de verwerkelijking van het G’ddelijke doel van de Schepping; en dat doel is, zeer eenvoudig uitgedrukt, de overwinning van het goede op het kwade².
We zullen nu dit onderwerp een beetje dieper beschouwen, teneinde een betere beoordeling te krijgen van de belangrijkheid van stoffelijke zaken (rituele artikelen, zoals Tefillien, Tsitsiet, Loelav etc.) bij het vervullen van de G’ddelijke voorschriften.
De volgorde van de dingen die op deze aarde geschapen zijn, vinden we in Genesis als volgt genoemd: de aarde of het rijk der mineralen; de flora – alle soorten planten; de fauna – alle soorten vogels en dieren; en tenslotte – de mens. Aldus hebben we een algemene klassificatie van het leven op onze aarde in de ‘vier rijken’: het anorganische, het planten-, het dieren- en het mensenrijk.
Deze ‘vier rijken’ duiden door de volgorde waarin ze genoemd worden, hun trap van ontwikkeling aan: het plantenrijk staat op een hogere trede dan het anorganische, het dierenrijk op een hogere trede dan het plantenrijk en het mensenrijk is de hoogste trede van allemaal³.
Deze mate van ontwikkeling van de ‘vier rijken’ is toe te schrijven aan de mate waarin de G’ddelijke macht of ‘vonk’ die alle geschapen dingen bezielt, zich manifesteert. We kunnen deze G’ddelijke ‘vonk’ het minst van al ontwaren in de anorganische dingen, die ogenschijnlijk helemaal geen ‘leven’ hebben, en het meest van al in de mens, die een onsterfelijke ziel heeft, die een ‘deel van het G’ddelijke boven’ is⁴.
Dit is echter alleen maar waar vanuit het gezichtspunt van de mate van manifestatie van de G’ddelijke faktor in hen, dat wil zeggen, voor zover het menselijk verstand haar kan ontwaren. Wanneer men het echter van ‘Bovenaf’ bekijkt, zijn alle dingen in werkelijkheid op gelijke wijze tot ontstaan gekomen door de woorden van G’d, en houdt dezelfde kracht van de creatio ex nihilo hen in stand.
’Wanneer een intelligent iemand nadenkt over de grootheid van de En-Sof⁵, gezegend zij Hij, zal hij begrijpen dat er, zoals de naam zegt, geen einde of grens is aan het Licht en Leven dat van Hem uitstroomt door Zijn Wil, die verenigd is met Zijn Essentie en Zijn in een volmaakte eenheid. Als de werelden tot stand waren gekomen door een reeks uitstralingen van het Licht van de En-Sof, niet door ‘samentrekkingen’ (tsimtsoemiem), op de wijze van oorzaak en gevolg, dan zou de wereld in het geheel niet geschapen zijn zoals nu, in haar begrensde en eindige toestand…. Deze samentrekkingen dienen ertoe de expansie van het Licht en het Leven te verbergen en tegen te houden, opdat zulk Licht en Leven beperkt wordt, passend bij begrensde en eindige voorwerpen… Deze vorm van (geopenbaarde) straling, die zich kleed in de hogere en lagere werelden en deze bezielt, is zo klein dat ze niets is in vergelijking met of met betrekking tot het verborgen Licht, dat er is in de vorm van En-Sof (oneindig) en dat niet opgenomen wordt in de werelden in een geopenbaarde vorm, maar ze van ‘Boven’ af ‘omvat’. Wat hier met deze term bedoeld wordt is niet ruimte, maar wijst erop, dat het niet in een geopenbaarde vorm ‘gekleed’ krijgt, is, maar eerder in een verborgen vorm, alsof het over en boven de geschapen werelden en de Schepping in deze en zijn in ons eigen bolvormige aarde beschouwen, kunnen we de G’ddelijke faktor erin voorstellen in haar macht om mineralen en planten te produceren, maar dit is slechts een oneindig klein deel van de G’ddelijke Licht – die de aarde tot stand heeft gebracht’.⁶
Met andere woorden, er zijn twee vormen van G’ddelijke uitstraling, die in de Kabbala ‘Memallee’ (vullen) en ‘Soveev’ of ‘Makief’ (omringen) genoemd worden en die de Chabad filosofie als volgt uitlegt: De eerstgenoemde, ‘Memallee’, is de G’ddelijke openbaring die zozeer ‘samengetrokken’ is, dat ze in staat is ‘gekleed’ (betreffende het vullen) opgesloten te worden binnen zelfs stoffelijke en vergankelijke objekten. Dit is de G’ddelijke uitstraling in haar geopenbaarde vorm, een openbaring, die tot uitdrukking komt in het bezielen van de geschapen dingen in hun vergankelijke toestand. De laatstgenoemde, de ‘Soveev’, is het Oneindige Licht, dat zo sterk is dat het niet opgesloten zou kunne worden in verankelijke objekten, en waarvan men dientengevolge zegt dat het hen ‘omringt’.
We zullen het een beetje meer vereenvoudigen. Alle dingen die geschapen zijn, bestaan uit substantie en vorm. Substantie en vorm zijn ondeelbaar, maar als we in staat zouden zijn ons de substantie van een ding los van z’n vorm voor te stellen, dan zouden we zeggen dat de substantie tot stand komt door de G’ddelijke uitstraling die we ‘Soveev’ of ‘Makief’ noemden, terwijl de vorm tot stand komt door de G’ddelijke uitstraling die we ‘Memallee’ noemden. Wanneer we nu terugkeren tot de ‘vier rijken’, die we boven noemden, kunnen we zien dat deze gradatie slechts denkbaar is bij de G’ddelijke faktor die ‘Memallee’ genoemd wordt; want hoe groter de faktor van geopenbaarde levenskracht bij het objekt is, hoe hoger zijn plaats is in de graadverdeling van de Schepping.
De variërende graden van G’ddelijk ‘Licht en Leven’ die de geschapen dingen bezielen, houden natuurlijk geen meervoudigheid of verandering in het G’ddelijk Zijn in, zoals we al eerder vermeld hebben.⁷ We kunnen dit ook zien aan ons eigen lichaam. Onze ziel of levensgeest vult ons gehele lichaam, van het hoofd tot de voeten. Enerzijds is onze ziel één ondeelbare eenheid. Anderzijds is er een veelvoudigheid van de ziel te onderkennen wanneer we haar ‘uitstraling’ bezien in de verschillende delen en ledematen van het lichaam: ze is het sterkst in het verstand, dat in het hoofd zetelt en dat zich manifesteert in de gedachten; en minder sterk in andere organen, zoals de voeten. Toch beweegt de voet ogenblikkelijk wanneer het denkbeeld om een wandeling te maken opkomt – hetgeen aantoont dat de wil zich potentieel in het hele lichaam bevindt, in de vorm van een ‘omvattende kracht’.⁸
Er is dus in alle geschapen dingen, van de hoogste sferen tot aan onze wereld, die de meest stoffelijke is, een combinatie van de twee soorten G’ddelijke uitstraling, de scheppende (‘Makief’ of ‘Soveev’) en de bezielende (‘Memallee’). Eerstgenoemde is de oneindige en verborgen G’ddelijke faktor, en laatstgenoemde is de eindige of ‘geopenbaarde’ faktor (in de levenskracht van het objekt). Deze twee G’ddelijke faktoren zitten in een bepaalde verhouding in alle dingen. Hoe groter het overwicht van de bezielende faktor in een objekt is, des te hoger is zijn graad op de ontwikkelingstrap zoals wij het zien. Evenzo, hoe primitiever of lichamelijker een ding is, hoe sterker de scheppende kracht erin is en hoe minder sterk de bezielende faktor. Dientengevolge staan vanuit het gezichtspunt van het Oneindige Licht de meer primitieve objekten boven de minder primitieve of (vanuit ons gezichtspunt) de meer ‘gevorderde’ – want de eerstgenoemde bevatten meer ‘Oneindige’ macht, die noodzakelijk is om ze in stand te houden. Laten we ons een bloempot voorstellen met een bij op een van de bloemen. Naar onze mening staat de aarden pot het laagst op de graadverdeling van de Schepping, de bloemen staan in een hogere klasse, de bij in nog een hogere, en wij in de hoogste klasse van allemaal. Maar laten we ons voorstellen dat we de Oneindige of scheppende kracht in hen zouden kunnen zien; dan zouden we ze in omgekeerde volgorde klassificeren.
Vanuit deze hoek bekeken zal het duidelijk worden, waarom de mens afhankelijk is voor zijn bestaan van de andere vormen van leven op deze aarde en in het bijzonder van de aarde zelf. Want op het eerste gezicht lijkt het paradoxaal dat brood in staat is de mens kracht te geven, omdat brood schijnbaar zo oneindig inferieur is aan de mens, die een ziel in zich heeft. Maar nu we hebben gezien dat in de oorsprong van de Schepping anorganische zaken een grotere kracht van de ‘Soveev’ bezitten, is het in het geheel niet verbazingwekkend, dat alle dingen voor hun bestaan afhankelijk zijn van de aarde. Dit is de betekenis van de woorden van de Tora (Deut. 8:3): ‘Niet d.m.v. brood alleen zal de mens leven, maar d.m.v. alles wat voortkomt uit de mond van G’d zal de mens leven’; d.w.z. het is niet het stoffelijke brood dat de mens kracht geeft, maar het is van het G’ddelijke woord, of de G’ddelijke macht, door welke het brood in staat gesteld wordt te bestaan in een toestand van creatio ex nihilo, dat de mens kracht krijgt. Ditzelfde G’ddelijke woord houdt het menselijk organisme in stand, maar zoals we tevoren gezegd hebben, is de G’ddelijke faktor het sterkst in het onbezielde en dientengevolge heeft brood de G’ddelijke macht de mens te sterken.⁹
We kunnen nu zien hoe belangrijk de verscheidene rituele voorwerpen zijn, hoe nederig hun stoffelijke oorsprong ook is, bij het dienen van G’d. Want door ze te gebruiken brengt de Jood de hoogst mogelijke G’ddelijke openbaring teweeg in deze wereld en tegelijkertijd bereikt hij het hoogst mogelijke kontakt of de hoogst mogelijke verbinding met het G’ddelijke Zijn; immers, de andere vormen van de Schepping bevatten een ‘hogere vonk’ in hun oorsprong dan zijn eigen menselijke organisme.
Iedere Jood heeft zijn eigen ‘deel’ in deze wereld, waarin het zijn plicht is G’ddelijke openbaring tevoorschijn te brengen. Want zoals hij afhankelijk is van zijn deel in deze wereld voor zijn stoffelijk bestaan, zo is datzelfde ‘deel’ afhankelijk van hem in geestelijk opzicht, want het is slechts door zijn tussenkomst dat het de Schepper kan dienen.
In het licht van het bovenstaande zal de betekenis van het welbekende gezegde van de stichter van Chabad, ‘G’d maakt stoffelijke dingen uit geestelijke, en het volk Israël verandert stoffelijke dingen in geestelijke’¹⁰ duidelijk zijn.
Noten (Hoofdstuk 5)
- Hfst. III.
- Ibid.
- Tanja, hdst. 38.
- Tanja, hdst. 2.
- Zie noot 2, hdst. III.
- Tanja, hdst. 48.
- Hdst. IV.
- Derech Mitswotecha, Tsitsis, Poltawa, 1911, een Chassidische uiteenzetting van de geboden, door Rabbi Menachem Mendel uit Lubavitch (zie noot 3, Inleiding).
- Likoete Tora, Mattot. De Likoete Tora (Verzamelingen uit de Tora) is een reeks Chassidische verhandelingen over de wekelijks gelezen delen, eveneens over Sjier-Hasjiriem en de feesten, beginnend met Wajikra, maar voorafgegaan door verhandelingen over Besjalach en Pekoede. Het werd gepubliceerd in het jaar 1848 in Zhitomir door de ‘Tsemach Tsedek’ (zie noot 3, Inleiding) en wordt aan hem toegeschreven vanwege zijn kommentaren, noten en uitleggingen van de verhandelingen van zijn grootvader. In werkelijkheid is het het tweede deel van Tora Or (Tora Licht) door Rabbi Shneur Zalman (noot 12, Inleiding), dat voor het eerst gedrukt werd in het jaar 1831 in Kopust, waarbij slechts het eerste deel (betreffende de eerste twee boeken van de Pentateuch, evenals Chanoeka en Poeriem) werd gedrukt in Kopust, tegelijk met vele andere Joodse drukkerijen, gesloten werd op last van de regering. Het tweede deel werd later gedrukt onder de titel Likoete Tora (Hajom Jom, pag. 16, zie de volgende noot).
- Hajom Jom, pag. 91, Gezegden en Gewoonten gerangschikt overeenkomstig de dagen van het jaar, verzameld uit toespraken en geschriften van de vorige en samengesteld door de huidige Lubavitcher Rebbe, gepubliceerd door Ozar Hachasidiem Lubavitch, Brooklyn, N.Y., 1943.
