Hoofdstuk VII: Oprechtheid – Het Leidende Beginsel

Door Dr. Nissan Mindel
Alhoewel het idee van een G’ddelijke verrekening terecht een aansporing vormt om de positieve geboden te vervullen en afhoudt van het overtreden van de verboden, is de ideale dienaar van G’d natuurlijk degene die G’d dient zonder te denken aan beloning of straf, maar eenvoudigweg omdat de G’ddelijke voorschriften goed en waar zijn per se¹. Onze Wijzen raden ons aan (Awot 1:3), ‘Weest niet als dienaren die hun meester dienen op voorwaarde dat ze een beloning ontvangen; maar weest als dienaren die hun meester dienen zonder de voorwaarde te stellen dat ze een beloning ontvangen’.
Er wordt verteld van een rabbijn die een etrog kon kopen slechts op voorwaarde dat hij ten gunste van de verkoper afstand deed van zijn rechten op de beloning voor deze mitswa in de toekomstige wereld. De rabbijn deed dit opgewekt onder het uitroepen van: ‘Nu ben ik dan eindelijk eens in staat een mitswa te doen zonder te letten op de Olam-haba!’ En van Rabbi Schneur Zalman, de vertolker van Chabad, wordt verteld dat hij in ogenblikken van extase uitriep: ‘Ik wil Uw Gan-Eden niet, ik wil Uw Olam-haba niet; ik wil slechts U, U alleen’!²
Dat is de meest verheven vorm van het dienen van G’d – het is het dienen dat door liefde aangespoord wordt, in tegenstelling tot het dienen dat aangespoord wordt door vrees. Er is ons geboden zowel liefde als vrees voor G’d in ons hart te hebben en beide zijn de ‘kinderen’ van Chochma, Bina, Daät, (Chabad).³ Het dienen van G’d echter dat door liefde wordt aangespoord, is zonder enige twijfel van een hogere orde.⁴
Desalniettemin, wanneer men de verheven funkties van de G’ddelijke voorschriften beschouwt zoals ze in de vorige hoofdstukken besproken zijn, is het duidelijk dat het belangrijke deel betreffende de voorschriften hun vervulling is. Hoewel de kennis betreffende de funkties en betekenissen van de geboden zeer belangrijk is en leidt tot een hogere vorm van G’ddelijke openbaring⁵, is een zodanige kennis niet van essentieel belang voor het vervullen van de voorschriften. Wat belangrijk is, is vertrouwen in G’d en een oprecht verlangen om zich aan Hem te hechten⁶, en dit hoedanigheden die aanwezig zijn, zowel bij degene die G’d dient die niet geleerd heeft, als bij degene die wel geleerd heeft. In vergelijking met G’d zijn we trouwens allemaal ongeleerd en onwetend, zoals Koning David zei (Psalm 73:22): ‘Ik ben onkundig en ’onwetend’’.7 Iedere Jood, zonder uitzondering, heeft een aangeboren liefde voor G’d, hetgeen een erfenis is van onze voorvaderen, en daarom is zelfs de minst behoudende Jood in staat zijn leven te offeren voor de heiliging betreffende Zijn Naam.⁸
Het Chassidische gezichtspunt dat de gewone, ongeleerde Jood even goed dienaar van G’d kan zijn als een geleerde – en soms zelfs een betere – was heel wat kwade gevoelens die het teweeggebracht heeft onder de stand der geleerden.
Eeuwenlang was het aangenomen gezichtspunt dat het gezegde tijdens onze Wijzen (Awot 2:5), ‘Lo am haärets kan geen vroom man zijn’ letterlijk opgevat moest worden en dat men zich er tamelijk strak aan moest houden. Het resultaat van deze interpretatie was dat de onwetende man – am haärets – veracht en versmaad werd. Deze houding vormde ongetwijfeld een sterke faktor om de onwetendheid en ongeletterdheid onder de Joden te verkleinen, maar schiep twee verschillende standen: de talmied chacham en de onwetende – de am haärets.
Tijdens zo eeuwen van ballingschap en in het bijzonder in de Middeleeuwen, toen de economische toestand van Joden overal op z’n slechtst was, breidde de stand van de am-haärets zich uit. De Joden werden verstrooid over de hele wereld, dikwijls in geïsoleerde gemeenschappen waar de middelen en gelegenheden tot een Joodse opvoeding karig waren of volledig ontbraken. Alhoewel ze wat geletterdheid betreft hun Christelijke buren ver vooruit waren, waren velen niet in staat naar Jesjiwot te zenden en onder de economische spanning verslechterde de standaard van de Talmoedische opvoeding aanzienlijk.
Het leven was erg zwaar voor deze eenvoudige, ongeleerde mensen, want ze hadden niet slechts te lijden van de onderdrukking door hun niet-Joodse buren, maar ook van de verachting van hun mede-Joden – de stand der geleerden. Ondanks hun gebrek aan kennis en geleerdheid bleven ze toch trouw aan hun geloof, met een devotie die door hun geleerde broeders niet overtroffen werd; zij dienden G’d zo ver hun kennis reikte, maar met hun hele hart en ziel.
Toen de Baäl Sjem Tov⁹ zijn aktiviteiten begon, richtte hij zijn aandacht eerst op de economische toestand van zijn broeders in Oost-Europa, en daarna op hun geestelijke toestand. Hij begon met ‘eerst het lichaam te genezen en daarna de geest’.¹⁰ Het ligt niet op het gebied van deze verhandeling om enigszins uitvoerig uit te weiden over de reikwijdte en het succes van het pionierswerk van de Baäl Sjem Tov en van zijn opvolger, de Maggied van Mezeritch, en van de leerlingen van laatstgenoemde, onder wie Rabbi Shneur Zalman, de stichter van Chabad, de voornaamste plaats inneemt. Er moet echter gezegd worden dat de warme houding tegenover de eenvoudige eerlijke Jood van de fundamentele principes van Chabad is. Al lijkt het misschien tegenstrijdig – want Chabad, dat Wijsheid-Begrip-Kennis betekent, is in hoge mate een intellectuele richting – het idee dat alle Joden een ziel hebben die ‘een deel is van het G’ddelijke ’Boven’’, en dientengevolge dat zelfs de ongeleerde Jood inherente eigenschappen heeft die op één lijn staan met die van de geleerde, loopt als een gouden draad door de Chabad literatuur. Alhoewel de ziel in kwaliteit kan verschillen, bezit, volgens Chabad, iedere Jood en Jodin het vermogen de hoogste volmaaktheid te bereiken in het dienen van en de eenwording met G’d.
Chabad is zelfs verder dan dat gegaan, het leert nl. dat de eenvoudige, ongeleerde dienaar van G’d, die zich niet bewust is van de esoterische of zelfs van de elementaire funkties van de voorschriften, in vele opzichten in het voordeel is t.o.v. de geleerde. In de eerste plaats bezit de ongeleerde Jood een natuurlijke nederigheid, die groter is dan die van de geleerde, en in de tweede plaats is het mogelijk dat hij de echte hoogten van hartstochtelijk dienen bereikt, iets dat hij bereikt vaak buiten de koele, intellectuele geleerde ligt.
De leiders van chabad hebben altijd de eenvoud en oprechtheid bij het dienen van G’d door de gewone Jood geprezen, zelfs al is deze totaal ongeleerd. Ze hebben openlijk tot uitdrukking gebracht hun oprechte bewondering voor en afgunst op deze eigenschappen, die bijna exclusief een geprivilegeerd bezit vormen van de niet-geleerde vormen.¹¹ Er is, bijvoorbeeld, de beroemde Chassidische gebeurtenis van de Joodse boerenkinkel die de Jom-Kippoer dienst in de synagoge bijwoonde en die, volledig ongeletterd als hij was, de gebeden niet kon zeggen. Zijn innerlijke verlangen om een te worden met G’d werd zo diep opgewekt, dat hij er uitdrukking aan gaf op de enige manier waarop hij dat kon, nl. door uit te barsten in een hartstochtelijk ‘kukelekuu’ dat door de synagoge klonk. Toch redde deze ongebruikelijke vorm het ‘dienen van G’d’ het lot van de gehele gemeenschap!¹²
Het was dit principe van het Chassidisme dat zich tot doel stelde een grotere oprechtheid bij het dienen van G’d te bevorderen en daarbij het idee bracht dat de am haärets een goed dienaar van G’d kan zijn en soms zelfs een betere dan de geleerde, dat de meest hevige kritiek en het heftigste verzet opwekte van de kant van de Talmoedische geleerden van die tijd, die er een bedreiging voor de autoriteit van de Tora-geleerde in zagen. Het feit dat het Chassidisme voortdurend de belangrijkheid van de studie van de Tora benadrukte, verzachtte hun angsten niet.
Tijdens een openlijk debat, dat in 5543 (1783) in Minsk plaatsvond tussen de geleerden van Wilna, Sjklov, Brisk en Minsk aan de ene kant, als oppositie, en Rabbi Shneur Zalman, de vertolker van Chabad, aan de andere kant verdedigde laatstgenoemde het bovengenoemde gezichtspunt. Door zijn antwoord werden velen van zijn tegenstanders vurige volgelingen van het Chassidisme.
Deze theorie, zo legde Rabbi Shneur Zalman uit, is gebaseerd op de eerste G’ddelijke openbaring aan Mozes, de eerste leider van het volk Israël, uit de ‘brandende braamstruik’ (Ex. 3:2), hetgeen Mozes’ eerste en belangrijkste les was in het ware leiderschap van het Joodse volk. Volgens de interpretatie van de Baäl Sjem Tov, zo vervolgde Rabbi Shneur Zalman, symboliseert de ‘brandende braamstruik die niet verteerd werd’ de nederige Jood, die brandt met een hartstochtelijk vuur van liefde voor G’d, een vuur, dat, zoals dat van de braamstruik, onverzadigbaar is. Want terwijl het hartstochtelijk dienen van G’d door de geleerde een uitlaat vindt in zijn gebeden en wat hem in staat stelt zijn hartstochtelijke gevoelens te vermengen met de koelheid van zijn verstandelijk begrip, wordt de niet-geleerde alsmaar verteerd door het vuur van zijn hartstochtelijke verlangen om zich aan G’d te hechten, zonder dat hij in staat is het te blussen. Uit deze nederige ‘braamstruik’ nu, ‘spreekt de stem van G’d’; bij deze nederige maar oprechte mensen rust de G’ddelijke Aanwezigheid!13
Dientengevolge hoeft geen Jood door zijn gebrek aan kennis ontmoedigd te worden betreffende zijn verlangen een ware dienaar van G’d te worden. Niet de theorie maar de daad is het belangrijkste. De primaire vereisten zijn oprechtheid en vertrouwen en deze ontbreken in geen enkele Jood of Jodin. Want iedere Jood is vanwege zijn G’ddelijke ziel doordrongen van een aangeboren geloof in G’d en Zijn Tora, hetgeen, indien het tenminste niet voortdurend onderdrukt wordt, zich gemakkelijk laat gelden. Als de Jood ermee begint de G’ddelijke voorschriften met oprechtheid en vertrouwen in praktijk te brengen, zal hij een andere kijk op het leven krijgen; zijn verstand zal aanzienlijk geprikkeld worden en zijn verstandelijke vermogens zullen in hoge mate worden vergroot. Want net zoals stoffelijk voedsel het stoffelijk lichaam kracht geeft, zo geeft geestelijk voedsel – de Tora en voorschriften de ziel kracht. En net zoals stoffelijk voedsel het lichaam kracht geeft, of we nu wel of niet weten hoe het verteringsproces plaats vindt, net zo is het met de ziel. De Joodse manier is: men moet de G’ddelijke geboden met vertrouwen en oprechtheid in praktijk brengen, zonder erop te wachten dat men hun betekenis begrijpt. Te zeggen: ‘Ik neem de geboden niet in acht totdat ik de betekenis ervan begrijp’, is hetzelfde als om te zeggen: ‘Ik eet niet totdat ik het verteringsproces begrijp’14.
Dit is de betekenis van ‘Naäse wenisjma’ – we zullen (eerst) doen en (dan) zullen we het (trachten te) begrijpen, met welk principe Mozes’ eerste en belangrijkste les was in het ware leiderschap van het Joodse volk Israël de Tora op de Sinai aanvaardde.
Noten (Hoofdstuk 7)
- Maimonides, Hilchot Tesjoewa, hdst. 10.
- Derech Mitswotecha p. 275.
- Zie noot 1, hdst. I.
- Maimonides, Hilchot Tesjoewa, hdst. 10.
- Tanja, hdst. 38. Ergens anders worden, gebruikmakend van de vergelijking met het zaad (zie hdst. VI), de voorschriften die uitgevoerd worden zonder Kawana, aandacht, vergeleken met ongekweekte vruchten, terwijl de voorschriften die met Kawana uitgevoerd worden vergeleken worden met gekweekte vruchten, die van een veel betere kwaliteit zijn.
- Ibid. hdst. 41, Likoete Tora, deel II, 50:2.
- Tanja, hdst. 18.
- Ibid.
- Rabbi Israel Baäl Sjem Tov, de stichter van het algemene Chassidisme, geb. 18 Elloel 5458 (1698), gestorven Sjawoeot 5520 (1760).
- Hatomiem, II, p. 44.
- Some Aspects of Chabad Chassidism (zie noot 5, hdst. II); p. 26.
- ‘On the Teachings of Chassidus’, N.Y. 1959, p. 44 e.v.
- ‘Sefer Hasichos 5702’, N.Y. 1964, blz. 44 e.v.
- Rabbi Joseph I. Schneersohn, Memoires, waarin een episode verteld wordt met leden van de (nu niet meer bestaande) anti-religieuze Jevsektzia in Rusland (zie Biographical Sketch of Rabbi Joseph I. Schneersohn, door Nissan J. Mindel, p. 10).
