Lezen en belevenJoodse GeschiedenisProf. Dr. Daniël (Daan) Meijers

Prof. Dr. Daniël (Daan) Meijers

Daniël Eliezer (Daan) Meijers was een markante figuur in het naoorlogse Nederlandse jodendom. Hij was antropoloog, schrijver en hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam, maar daarnaast vooral een toegewijde chassid van de Lubavitcher Rebbe. Hij heeft mede de basis gelegd voor de ontwikkeling van Chabad in Nederland.

Daan Meijers werd begin 1939 geboren als zoon van Johan (Sjmoe’el Ja’akow) en Adèle (Chana Odil) Meijers, in een traditioneel Nederlands-joods gezin. Zijn grootvader van moederszijde, Nehemia de Lieme, was een zoon van Benjamin de Lieme, hoofdsjocheet in Den Haag. Nehemia de Lieme was een vooraanstaand figuur binnen de internationale zionistische beweging. Naar hem werd later de Israëlische kibboets Sde Nehemia vernoemd.

Toen in mei 1940 de oorlog uitbrak, was Daan nog maar ruim een jaar oud. Zijn ouders bekleedden belangrijke maatschappelijke functies en het gezin ontving aanvankelijk een sperre, waardoor zij voorlopig waren vrijgesteld van deportatie. Die bescherming bleek echter niet blijvend. Niet-joodse vrienden hadden aangeboden Daan te laten onderduiken, maar zijn moeder koos ervoor de familie bij elkaar te houden: “Liever omkomen door de Duitsers dan zijn joodse identiteit verliezen.”

In 1943 werd het gezin alsnog door de nazi’s opgepakt en geïnterneerd in kamp Barneveld, dat bestemd was voor een groep Nederlands-joodse gezinnen die vanwege hun maatschappelijke positie in eerste instantie een bijzondere status hadden. Vanuit Barneveld werden zij via Westerbork gedeporteerd naar het concentratiekamp Theresienstadt. Bij aankomst, tijdens de selectie, werd Daans lichtblonde moeder eruit gehaald. Men stelde dat zij geen Jodin zou zijn en dat zij daarom weg moest. Zij hield echter voet bij stuk dat zij een Jodin was en bleef bij haar joodse identiteit. Zij weigerde haar gezin te verlaten. In het kamp werd Daan getroffen door polio. De Duitsers gebruikten zijn ziekte als aanleiding om medische experimenten op hem uit te voeren. De ziekte liet hem de rest van zijn leven littekens na. Na de bevrijding van Theresienstadt door het Rode Leger in 1945 bleek dat Daan en zijn ouders de enige overlevenden van hun gehele familie waren. Het gezin keerde na de oorlog terug naar Rotterdam.

Tijdens zijn middelbare schooltijd kwam Daan in contact met zijn jeugdvriend Mordechai Engelsman, die op dat moment studeerde aan een Chabad-jesjiva in Israël en voor een kort bezoek naar Nederland was gekomen. Hij raakte sterk onder de indruk van Engelsman en besloot het chassidische leven in Israël zelf te gaan onderzoeken. Via Engelsman kwam hij terecht bij de Chabad-jesjiva in Lod.

Zijn overgang naar een chassidisch leven verliep echter niet zonder innerlijke strijd. Hij had vragen over G’d, de Tora en de verhouding tussen religie en wetenschap. In augustus 1959 besloot hij zijn vragen rechtstreeks aan de Lubavitcher Rebbe voor te leggen.

Het werd een uitzonderlijk lange brief. De Rebbe antwoordde eveneens uitvoerig. Hij ging inhoudelijk op Meijers’ vragen in, maar hield hem tegelijkertijd een spiegel voor: waarom begon hij met bezwaren en vragen, zonder eerst zijn eigen vooronderstellingen ter discussie te stellen?

De brief maakte diepe indruk. De Rebbe spoorde hem aan Tora te leren en de mitswot na te leven en van daaruit zijn begrip van de joodse levensbeschouwing verder te ontwikkelen. Meijers vertelde later dat zijn twijfels na deze brief verdwenen.

Eerste ontmoetingen met de Lubavitcher Rebbe

Rond Pesach 1961 reisde Daan voor het eerst per schip naar de Rebbe in New York. Tot zijn verrassing werd hij bij aankomst in de haven opgehaald door een groep chassidiem die op instructie van de Rebbe naar hem toe was gestuurd.

In 1962 vond tijdens een farbrengen bij de Rebbe een opmerkelijk moment plaats. De Rebbe sprak twee jonge mannen, Yitzchak Hanoka en Yitzchak Block, die op dat moment nog studeerden, aan als toekomstige professoren en wenkte hen om een L’chaim te maken. Vervolgens wenkte de Rebbe ook Meijers en zei hem dat ook hij professor zou worden. Ook Meijers kreeg van de Rebbe een L’chaim. Meijers nam deze woorden ter harte. De Rebbe had daarmee, zoals Meijers het later zag, een duidelijk plan voor zijn toekomst uitgestippeld.

Na zijn verblijf bij de Rebbe keerde Meijers terug naar Nederland. Hij begon artikelen in de Nederlands-joodse bladen over chassidische onderwerpen te schrijven. Ook organiseerde hij op verschillende plaatsen in Nederland farbrengens en bijeenkomsten, vaak met buitenlandse chassidiem als gastspreker.

In 1964 trouwde Daniël Meijers in Rotterdam met Mirjam Boumans. Het echtpaar vestigde zich vervolgens in Amsterdam, in opdracht van de Rebbe.

In oktober 1964 richtte Meijers samen met rabbijn Jitzchak Vorst de stichting Le’Ezrath Chinuch Chabad op. Vorst en Meijers waren al sinds hun jeugd bevriend. Mede via Meijers kwam Vorst in aanraking met Chabad. Toen Vorst later als eerste Chabad-sjaliach naar Nederland werd gestuurd, bleef Meijers hem gedurende tientallen jaren bijstaan. Het was een samenwerking die een belangrijke basis heeft gevormd voor ontwikkeling van Chabad in Nederland. Zo begonnen zij onder meer met het organiseren van activiteiten voor studenten en jongeren in het hele land en werden joodse lessen en lezingen verzorgd.

In november 1968 richtte Meijers de Akademie voor Jodendom in Amsterdam op. Het doel was volwassenen op intellectueel niveau kennis te laten maken met het jodendom en ruimte te creëren voor joods onderwijs op hoog niveau.

De Rebbe en de academische weg

Meijers wilde aanvankelijk zijn universitaire loopbaan niet voortzetten. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot het directe werk onder mensen en wilde zich volledig inzetten voor het verspreiden en onderwijzen van het jodendom.

De Rebbe moedigde hem echter aan zijn universitaire studie voort te zetten. Juist zijn plaats binnen de academische wereld kon volgens de Rebbe een wezenlijke vorm van ‘hafatsa’ worden: het verspreiden van Tora en joodse waarden onder een publiek dat daar anders buiten bereik van zou blijven.

Die raad bepaalde uiteindelijk een groot deel van Meijers’ levenswerk.

Tijdens zijn studie culturele antropologie aan de Universiteit van Amsterdam hield hij zich onder meer bezig met religie en cultuur. Hij deed veldonderzoek in de Verenigde Staten, onder inheemse bevolkingsgroepen in Arizona en New Mexico. Tijdens die reis maakte hij in Taos, New Mexico, kennis met een bedelaar die zich voorstelde als een van de twee Joden die daar woonden. Toen Meijers later het opgegeven adres bezocht, trof hij een joods gezin aan. Hun kinderen kregen les van een plaatselijke priester. Daniël zette zich ervoor in dat zij ook toegang tot joods onderwijs kregen.

Na zijn studie werkte Meijers enige tijd als docent aan het Maimonides, de joodse school voor voortgezet onderwijs in Amsterdam.

In 1975 trad hij toe tot de Vrije Universiteit Amsterdam als assistent in de antropologie. In 1977 behaalde hij zijn doctoraal. In 1979 verscheen zijn studie ‘Chassidisme in Israël: de Reb Arrelech van Jeruzalem’, een antropologische studie van een chassidische gemeenschap in Jeruzalem. In 1989 promoveerde Meijers aan de Vrije Universiteit op zijn studie ‘De revolutie der vromen: ontstaan en ontwikkeling van het chassidisme’.

Zijn belangstelling bleef niet beperkt tot wetenschappelijke analyse. Meijers schreef ook verhalen en essays waarin hij probeerde de wereld van het chassidisme op een literaire manier voor een breder publiek toegankelijk te maken. Later hield hij zich ook bezig met de relatie tussen antropologie en literatuur, onder meer in ‘Ware fictie: een experiment in antropologie en literatuur’.

Professor van het chassidisme

In 1994 werd Meijers benoemd tot bijzonder hoogleraar Antropologie van het Jodendom aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De leerstoel was ingesteld vanwege de Amsterdamse Akademie voor Jodendom. Daarmee werd hij een in Nederland zeldzame vertegenwoordiger van de joodse traditie die vanuit een academische leerstoel het jodendom en in het bijzonder het chassidisme bestudeerde.

Bij de aanvaarding van zijn ambt, op 6 juni 1994, memoreerde hij in zijn rede dat de Rebbe hem al tweeëndertig jaar eerder, in 1962, toen hij nog eerstejaarsstudent was, had toegewenst dat hij ooit in die functie benoemd zou worden. Hij wees er bovendien op dat de datum van de brief waarin de universiteit akkoord ging met zijn aanstelling samenviel met de datum die de Rebbe hem jaren eerder had voorgehouden.

Meijers’ wetenschappelijke werk werd gekenmerkt door een bijzondere combinatie. Hij bestudeerde het chassidisme niet uitsluitend als buitenstaander. Hij kende de religieuze wereld die hij onderzocht van binnenuit. Dat maakte zijn werk bijzonder. Hij schreef niet alleen over chassidiem; hij begreep hun taal, hun gewoonten, hun religieuze gevoeligheden en hun verhouding tot hun leiders. Zijn publicaties aan de VU laten zien dat hij zich gedurende zijn loopbaan bleef bezighouden met joodse gemeenschappen, religieuze regimes, chassidisme en de methodologische relatie tussen antropologie en literatuur.

“De grootste hafatsa”

Toen Meijers zich in de beginjaren bij de Rebbe beklaagde dat deze hem op de universiteit wilde houden, terwijl hij liever rechtstreeks onder mensen actief was in het ondersteunen van het joodse leven, antwoordde de Rebbe hem in het Jiddisch:

“Shteyt a Yid, mit dem langste bord in Holland un zogt a ‘lecture’ tsu honderter mentshn, bai mir iz dos di greste hafotse.”

Vrij vertaald: wanneer een Jood met de langste baard van Nederland college geeft aan honderden mensen, is dat voor mij de grootste vorm van verspreiding van het jodendom.

Die uitspraak typeerde de bijzondere plaats die Meijers innam. Voor de Rebbe was zijn aanwezigheid aan de universiteit zelf al een vorm van hafatsa, onder mensen die anders wellicht weinig of nooit met Tora en jodendom in aanraking zouden zijn gekomen. Studenten en collega’s maakten zo kennis met zijn ideeën en met zijn persoonlijke manier van leven. En dat heeft Meijers inderdaad gedaan: zijn academische loopbaan werd zelf een vorm van hafatsa. Hij had daarbij een opvallende verschijning: zijn rode baard reikte ver over zijn kleding, hij droeg vrijwel altijd zijn kenmerkende pijp, en zijn ernstige gelaat straalde waardigheid en ontzag voor G’d uit.

Wie Meijers ontmoette, vergat hem niet snel. Hij was doorgaans in zichzelf gekeerd. Hij sprak weinig en kon lange tijd stilzitten, in gedachten verzonken. Zijn gelaat sprak echter boekdelen. Anderzijds, wanneer hij vond dat de belangen van het traditionele jodendom op het spel stonden, nam hij geen blad voor de mond en zo nodig zijn pen ter hand. Zijn zwijgzaamheid betekende allerminst dat hij zijn standpunt niet duidelijk kon laten horen.

Mensen kwamen bij hem voor advies, voor een gesprek of voor troost. In de loop der jaren waren honderden mensen bij hem en zijn vrouw Mirjam thuis te gast. Sommigen kwamen voor een sjioer, anderen om de warme sfeer van een joods huis te ervaren. Hun huis werd voor velen een plek waar zij opnieuw of voor het eerst iets van het joodse leven konden ervaren. Talloze mensen hebben hun weg naar het praktische joodse leven via hun invloed gevonden.

Hij was betrokken bij onderwijs, jongeren- en studentenactiviteiten en bij de ontwikkeling van Chabad in Nederland. Ook bij de oprichting en groei van het Cheider speelde hij vele jaren een belangrijke rol.

Gedurende al die jaren bleef Meijers nauw contact houden met de Rebbe. Hij correspondeerde regelmatig met hem over zijn persoonlijke leven en de vele initiatieven waarbij hij betrokken was.

Op latere leeftijd maakte Meijers alija naar Israël, waar hij zijn laatste jaren woonde. Daniël Meijers overleed op 8 augustus 2015 en werd begraven in Jeruzalem. Meijers wordt door velen herinnerd als een bijzonder persoon die zijn stempel heeft gedrukt op het naoorlogse Nederlandse jodendom.