Praktische begeleiding nodig?
Wat gebeurt er bij een Joodse begrafenis
Een Joodse begrafenis is meer dan een afscheidsritueel. Het is een zorgvuldig proces, waarbij lichaam en ziel met waardigheid naar hun volgende bestemming begeleid worden. Die terugkeer gebeurt zo spoedig mogelijk en is geworteld in een diep begrip van wat er na de dood geschiedt.
De Tora zegt: “Stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren” (Beresjiet/Genesis 3:19). En koning Sjelomo voegt daaraan toe: “Het stof keert weder tot de aarde, zoals het was, en de geest keert weder tot G’d, Die hem gegeven heeft” (Kohelet/Prediker 12:7). Lichaam en ziel keren elk terug naar hun bron, en die twee bewegingen zijn onderling verbonden. De aarde is de bron van het fysieke leven, omdat G’ds Wezen erin aanwezig is, op een diep verborgen, maar wezenlijk werkelijke wijze. De natuurlijke ontbinding van het lichaam in de aarde maakt de terugkeer van de ziel naar haar bron mogelijk.
Vandaar dat het van het grootste belang is de heelheid van het lichaam te bewaren, en de begrafenis zo spoedig mogelijk te laten plaatsvinden. De tussenperiode is bijzonder zwaar voor de ziel: zij heeft geen lichaam meer, waarmee zij zich tot onze wereld verhouden kan, maar is ook nog niet geheel vrij van haar banden met deze wereld, om alles vanuit een spiritueel oogpunt te zien. De mate waarin het lichaam tot de aarde wederkeert, staat in rechtstreeks verband met het vermogen van de ziel wederom te keren tot de verheven Bron, waaruit zij voortkomt.
De teraardebestelling is ook een wezenlijk onderdeel van de techiat hameetiem, de toekomstige opstanding der doden. Zoals de eerste mens oorspronkelijk uit de aarde gevormd werd, zo zullen ook de lichamen der doden opnieuw uit de aarde gevormd worden, wanneer zij in de Toekomstige Wereld weder tot leven gebracht worden.
Twee gewichtige handelingen gaan aan de eigenlijke begrafenis vooraf: de tahara, de rituele reiniging, en de lewaja, de begrafenisplechtigheid.
De tahara — rituele reiniging
De tahara is een rituele reiniging, waarbij het lichaam gewassen en verzorgd wordt, en waarbij ritueel water over het lichaam gegoten wordt. In het leven is water de bron van al onze voeding; ook in geestelijke zin bezit water deze kracht. Op verschillende ogenblikken in ons leven — vóór het huwelijk, of na een bevalling — dompelen wij ons onder in een mikwe, om rituele reinheid te bereiken. Zo wordt ook het lichaam ritueel gereinigd, ter voorbereiding op deze volgende fase van zijn bestaan. Met de tahara erkennen wij, met waardigheid, het leven dat in dit lichaam aanwezig was, en dat er voor altijd zijn sporen op nalaat. Na de reiniging kleedt men de overledene in bijzondere, witte kleding, tachrichiem genaamd, tot teken van reinheid en heiligheid.
De lewaja — begrafenisplechtigheid
Op de eenvoudigste beschouwing is de lewaja, de rouwstoet waarmee wij het lichaam naar zijn rustplaats begeleiden, een teken van eerbied voor de overledene. Het Hebreeuwse woord lewaja betekent tevens “verbinding”. Terwijl wij rouwen om het heengaan van een ziel uit de zichtbare verbinding met ons stoffelijk bestaan, beseffen wij dat wat onze zielen met elkaar verbindt — het G’ddelijk wezen dat alle zielen gemeen hebben — veel sterker is dan de verandering die de dood teweegbrengt. Wij en de overledene blijven verbonden, levende zielen, allen tezamen. Door aan de lewaja deel te nemen, bieden wij de ziel troost tijdens deze moeilijke overgang van het ene leven naar het andere.
Voorbereiding van het lichaam en het regelen van de begrafenis
De Joodse wet is duidelijk: het lichaam moet, in zijn geheel, terugkeren naar de aarde, op een wijze die het natuurlijke proces van ontbinding en hereniging met zijn oorspronkelijke bron mogelijk maakt. In de tijd tussen overlijden en teraardebestelling behoren de heelheid en de waardigheid van het lichaam geëerbiedigd en bewaard te worden. Daarom verbiedt de Tora-wet het balsemen van het lichaam, het tentoonstellen ervan, en crematie. Ook obducties, die de heelheid van het lichaam aantasten, zijn verboden, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden. In zulke gevallen raadpleegt men een deskundig rabbijn.
De Chevra Kadisha
Iedere Joodse gemeenschap heeft een Chevra Kadisha, letterlijk “Heilige Broederschap,” van toegewijde mannen en vrouwen, die erop toezien dat iedere overleden Jood een waardige Joodse begrafenis ontvangt. Zij verrichten de tahara, kleden de overledene in de tachrichiem, en zien erop toe dat de begrafenis naar de Joodse traditie verloopt.
De Joodse begraafplaats
Een Jood behoort uitsluitend tussen andere Joden begraven te worden, op een Joodse begraafplaats. De Joodse traditie hecht grote waarde eraan, dat uitsluitend mede-Joden voor het lichaam zorgen, de kist dragen, de kist in de aarde neerleggen, en het graf vullen.
De begrafenisplechtigheid
Het scheuren van de kleding — kerie’a. Naaste familieleden — dat wil zeggen kinderen, broers en zusters, echtgenoot of echtgenote, en ouders van de overledene — geven uiting aan hun pijn en verdriet door hun kleding boven het hart te scheuren. Dit geschiedt meestal aan het begin van de begrafenisplechtigheid. Sommige gemeenschappen verrichten de kerie’a onmiddellijk na het overlijden, of bij de teraardebestelling.
De grafrede — hesped. De hesped omvat twee onderdelen: het spreken over het goede dat de overledene was en deed, opdat wij de omvang van ons verlies gewaarworden, en de lessen die wij van hem leren, en in ons eigen leven navolgen kunnen. Zoals Kohelet (7:2) zegt: “Dat de levenden het ter harte nemen.” Deze woorden kunnen uitgesproken worden door de dienstdoende rabbijn, en door anderen die de overledene gekend hebben.
Het begeleiden van de overledene — lewaja. Van oudsher werd de kist op de schouders geheel naar de begraafplaats gedragen, gevolgd door familie en gemeenschap in een stoet. Heden ten dage maakt de grote afstand dit doorgaans onmogelijk, maar het blijft van belang een zeker eind achter de kist te lopen, hetzij vóór het vertrek van de lijkwagen, hetzij op de begraafplaats zelf, en zo de mitswa van halwajat hameet, het begeleiden van de overledene, te vervullen.
De begrafenis — kevoera. Wij geven het lichaam terug aan de aarde, waaruit het voortgekomen is. Dit is onze laatste zorg, en het geldt als een grote mitswa fysiek aan de begrafenis deel te nemen. Bij voorkeur wordt het gehele graf met de hand door mede-Joden gevuld. Waar dit niet mogelijk is, dient de kist ten minste geheel met aarde bedekt te worden. Op dit ogenblik wordt Tsiddoek Hadien uitgesproken, een reeks verzen, waarin wij G’ds rechtvaardige wegen erkennen, ook wanneer wij met tegenspoed geconfronteerd worden. Daarna worden de Kaddisj gebed en El Malee Rachamiem gereciteerd.
Het troosten van de rouwenden. Het rouwproces, en het troosten van de rouwenden, vangen onmiddellijk nog op de begraafplaats na de begrafenis aan. De aanwezigen vormen twee evenwijdige rijen, en de rouwenden gaan daar doorheen. Wie in de rijen staat, spreekt de traditionele woorden van troost: Hamakom jenachem etchem betog sje’ar aweelee Tsijon wiJeroesjalajiem — “Moge de Alomtegenwoordige u troosten te midden van alle andere rouwenden van Tsion en Jeroesjalajiem.” Daarna verplaatst de rouw zich naar de locatie waar de zeven dagen durende sjiwa-rouwperiode zal plaatsvinden.
Wat is sjiwa?
Sjiwa betekent in het Hebreeuws “zeven.” Sjiwa zitten verwijst naar het naleven van de eerste zeven dagen van rouw, na de begrafenis.
Voor wie en wanneer zit men sjiwa?
Sjiwa wordt gehouden na het overlijden van iemands vader, moeder, echtgenoot of echtgenote, zoon, dochter, broer — met inbegrip van halfbroer — en zuster — met inbegrip van halfzuster. Een geadopteerd kind mag ervoor kiezen sjiwa te zitten, maar is hiertoe niet verplicht.
Sjiwa vangt aan na de begrafenis. De dag van de begrafenis telt als de eerste dag, en zelfs een klein deel van de zevende dag volstaat. Vond de begrafenis op woensdag plaats, dan eindigt de sjiwa dus op dinsdagochtend.
Tijdens de sjiwa periode van diep verdriet verzorgen de rouwenden zich niet, werken zij niet, en nemen zij aan geen vermakelijke bezigheden deel. In plaats daarvan richten zij zich op hun verlies, en ontvangen zij troost van bezoekers.
De rouwenden komen doorgaans in één huis bijeen, om gezamenlijk sjiwa te houden — vaak het huis van de overledene. Omdat zij daar dawwenen, in plaats van naar de sjoel te gaan, geldt dit als een grote verdienste voor de overledene.
De oorsprong van sjiwa
Het gebruik van sjiwa gaat terug tot het begin van de Joodse geschiedenis. De Tora vertelt dat Josef zeven dagen om zijn vader Ja’akov rouwde. Later stelde Mosje de periode van zeven rouwdagen als Joodse wet vast.
Onze wijzen wijzen de eerste drie dagen aan het wenen toe, en de dagen vier tot en met zeven aan het uitspreken van lofredes. Daarna rouwt men niet buitensporig, maar volgt men een rouwproces dat geleidelijk afneemt.
Het belang van sjiwa zitten
Op de juiste wijze rouwen om een dierbare is het grootste geschenk dat men de overledene geven kan. Het is tevens een mitswa, die zowel de rouwende als de betreurde ten goede komt.
De Joodse traditie leert dat wie naar de Joodse wet en traditie betreurd wordt, gemakkelijker de Hemel binnengaan kan, en dat de ziel van de overledene door het rouwproces versterkt wordt, in het bijzonder door het reciteren van de Kaddisj, en het bestuderen van Tora, tot verdienste van de overledene.
De rouwtradities behoren niet lichtvaardig behandeld te worden. Een Jood die niet rouwt naar het voorschrift van de Tora, brengt oneerbiedigheid over de gedachtenis van de overledene. Hoe streng dit ook klinke, het onderstreept slechts de ernst van de zaak, en vormt een passende oproep tot rechte naleving.
Een ruimte voor uzelf scheppen
Sommige rouwwetten liggen voor de hand, zoals het niet bijwonen van feesten. Andere zijn minder vanzelfsprekend, zoals het onthouden van het werk en baden. Toch hoort men deze wetten niet als beperking te zien, maar zoals zij bedoeld zijn.
De rouwwetten bevrijden de rouwende van de gangbare omgangsvormen en verwachtingen, opdat hij zich richten kan op de herinnering aan de overledene, en beginnen kan te genezen. Door te onderwijzen hoe men rouwen moet, brengt de Tora de gevoelsmatige en geestelijke noden van de rouwenden in evenwicht met die van de ziel van de overledene.
Familieleden die zojuist een dierbare verloren hebben, kunnen niet eenvoudig hun leven voortzetten, alsof er niets geschied is. Zij dienen stil te staan bij de boodschappen van leven en dood, de lessen van hun dierbare ter harte te nemen, hun band met G’d te vernieuwen, en erop toe te zien dat de gedachtenis van de overledene op de rechte wijze geëerd wordt.
Naarmate men de rouwwetten blijft naleven, wordt men gevoeliger voor de kringloop van het leven. Op zeker ogenblik leert men met het verlies te leven, en komt men ertoe het heengaan als de wil van G’d te aanvaarden.
Dit proces kan jaren duren, en troost kan slechts ontstaan door deze stappen te doorlopen. Moge G’d ieder die rouwt nabij zijn, en hem troosten in zijn verdriet.
Vrij vertaald van Chabad.org en Chabad.org
Heeft u vragen of wilt u meer weten over een bijzonder levensmoment? Wij helpen u graag verder!
Praktische hulp
Heeft u vragen of wilt u meer weten? Wij helpen u graag verder.