Praktische begeleiding nodig?
Mazzeltov, een nieuw leven!
De geboorte van een kind is in het Jodendom een moment van grote vreugde. Een nieuwe ziel komt ter wereld, door G’d gezonden met een eigen bestemming en levenstaak. Ieder kind vormt zo een nieuw hoofdstuk in ons eeuwenoude verhaal.
Gebruiken tijdens de zwangerschap
Handelingen tijdens de zwangerschap kunnen diepe invloed hebben op het ongeboren kind. Vandaar dat het gebruikelijk is bijzonder erop te letten uitsluitend koosjer voedsel te eten, dagelijks tsedaka te geven, en evenzeer op vrijdag en op de middag vóór de Joodse feestdagen, vóór het aansteken van de Sjabbat- of feestdagkaarsen. Tijdens de zwangerschap is het ook raadzaam de mezoezot in huis te laten nazien.
Medische onderzoeken die een risico voor de vrucht meebrengen, zoals een vruchtwaterpunctie, dient men zoveel mogelijk te vermijden. Raadpleeg hiervoor steeds een arts en een rabbijn.
Vasten tijdens de zwangerschap
Een zwangere vrouw behoeft niet te vasten op de jaarlijkse vastendagen, met uitzondering van Tisja Be’Av en Jom Kippoer.
Op Tisja Be’Av dient een zwangere vrouw te trachten te vasten. Geeft haar arts aan dat dit een risico vormt, dan vast zij niet. Voelt zij zich tijdens het vasten onwel, of merkt zij dat zij moet eten, dan mag zij dat doen. Raadpleeg hiervoor een rabbijn.
Vóór Jom Kippoer dient de aanstaande moeder met haar arts en haar rabbijn te bespreken of vasten haalbaar is. Wordt het noodzakelijk tijdens Jom Kippoer te eten en te drinken, dan doet zij dit in kleine hoeveelheden, met tussenpozen: minder dan een ons vast voedsel, en minder dan een mondvol vloeistof, met telkens negen minuten wachttijd ertussen. Zo voldoet zij nog steeds aan de Bijbelse verplichting van het vasten.
Het inleiden van de bevalling
Vanuit het Tora-perspectief kent G’d, in Zijn wijsheid, het beste ogenblik voor de geboorte van een kind. Daarom dient men niet zonder noodzaak in te grijpen, door de bevalling vroegtijdig in te leiden. Bovendien is een bevalling een toestand die potentieel levensbedreigend is, en die men niet eerder dan nodig behoort te laten plaatsvinden. Laat het kind zo lang op zich wachten, dat zijn leven in gevaar komt, of doet zich een andere medische noodsituatie voor, dan is het uiteraard geoorloofd de bevalling in te leiden. Raadpleeg steeds een arts en een bevoegd rabbijn.
Bevallen op Sjabbat
Omdat een bevalling als een levensbedreigende toestand beschouwd wordt, mag men zo nodig de Sjabbat ontheiligen, om een gezonde bevalling te waarborgen. Omdat een bevalling echter een natuurlijk proces is, dient de ontheiliging zo beperkt mogelijk te blijven.
Een vrouw mag op Sjabbat naar het ziekenhuis reizen, wanneer zij voelt dat de bevalling nabij is. Waar mogelijk, doet men een beroep op een niet-Joodse taxichauffeur. Bij voorkeur legt men vóór Sjabbat een envelop klaar met het benodigde bedrag voor de rit, opdat de chauffeur dit zelf kan meenemen.
De aanstaande vader, of een andere begeleider, mag meereizen in taxi of ambulance, om de moeder gerust te stellen. Autodeuren — en hetzelfde geldt voor elektrische deuren in het ziekenhuis — laat men bij voorkeur door een niet-Jood openen en sluiten; is dat niet mogelijk, dan doet men dit op een ongebruikelijke wijze.
Tijdens de bevalling is het gebruikelijk dat de echtgenoot de volgende Psalmen uitspreekt: 1, 2, 3, 4, 20, 21, 22, 23, 24, 33, 47, 72, 86, 90, 91, 92, 93, 104, 112, en 113 tot en met 150.
De nidda-status na de bevalling
Bevalt een vrouw op natuurlijke wijze, dan treedt zij in de staat van nidda. Dit vangt aan bij het eerste teken van bloed, of vanaf het ogenblik dat zij voelt dat de bevalling aanstaande is. De nidda-periode duurt zeven dagen na de geboorte van een zoon, en veertien dagen na de geboorte van een dochter. Het bezoek aan het mikwe wordt doorgaans echter veel langer uitgesteld, omdat de meeste artsen aanraden minstens zes weken te wachten met het hervatten van de huwelijkse betrekkingen. Bespreek dit met uw arts.
Vanaf het ogenblik dat een vrouw in de staat van nidda verkeert, mag haar echtgenoot de delen van haar lichaam die gewoonlijk bedekt zijn niet zien. Het is daarom niet passend dat een echtgenoot de bevalling zelf bijwoont. De Rebbe was van mening dat de echtgenoot om deze reden in het geheel niet in de verloskamer aanwezig behoort te zijn tijdens de bevalling. Is er niemand anders aanwezig om zijn vrouw bij te staan, dan mag hij dit uiteraard wel doen, maar dient hij er zoveel mogelijk op te letten de intieme delen van haar lichaam niet te zien.
Bevalt een vrouw door een keizersnede, dan treedt zij niet in de staat van nidda, tenzij en totdat er vaginaal bloedverlies optreedt.
Zegeningen bij de geboorte
Verneemt een vader dat zijn vrouw een zoon gebaard heeft, dan dankt hij G’d met de beraga HaTov WeHameetiev:
בָּרוּךְ אַתָּה ה’ אֱ-לֹהֵינוּ מֶלֶךְ הָעוֹלָם הַטּוֹב וְהַמֵּטִיב
Baroeg Atta Ado-naj Ello-heenoe Mèleg ha’olam hatov wehameetiev.
“Moge U — Heer, onze G’d, Koning van de wereld — naderbij gebracht worden, doordat wij erkennen dat U goed bent en goed doet.”
Bij de geboorte van een dochter spreekt men de beraga Sje’hègèjanoe uit, echter eerst nadat de vader de baby daadwerkelijk gezien heeft:
בָּרוּךְ ה’ אֱ-לֹהֵינוּ מֶלֶךְ הָעוֹלָם שֶׁהֶחֱיָנוּ וְקִיְּמָנוּ וְהִגִּיעָנוּ לַזְּמַן הַזֶּה
Baroeg Ado-naj Ello-heenoe Mèleg ha’olam sjehègèjanoe wekiejemanoe wehigie’anoe lazeman hazè.
“Moge U — Heer, onze G’d, Koning van de wereld — naderbij gebracht worden, doordat wij erkennen dat U ons het leven heeft gegeven, ons heeft onderhouden, en ons in staat heeft gesteld dit ogenblik te bereiken.”
Deze zegeningen mogen ook door de moeder uitgesproken worden, zodra zij gekleed is.
Andere gebruiken na de geboorte
Het is gebruikelijk in de kamer van moeder en kind een kaartje op te hangen met het gebed Sjier Hama’alot (Psalm 121) en andere gebeden, opdat het kind vanaf het prilste begin van zijn leven aan heilige woorden wordt blootgesteld. Ook tijdens het verblijf in het ziekenhuis doen de ouders er goed aan dit gebed bij de deur van de kamer op te hangen.
De jonge moeder dient de eerste zeven dagen na de bevalling niet alleen buitenshuis te gaan; de baby geldt daarbij als begeleiding.
Vasten na de bevalling
Vrouwen die zojuist bevallen zijn, zijn gedurende twee jaar na de geboorte vrijgesteld van de meeste vastendagen. De uitzonderingen zijn Tisja Be’Av en Jom Kippoer, waarvoor onderstaande regels gelden.
Vond de bevalling plaats binnen drie dagen vóór de vastendag, dan dient de moeder niet te vasten. Vond zij plaats binnen zeven dagen ervoor, dan vast zij evenmin, tenzij zowel zijzelf als haar arts overtuigd zijn dat zij daartoe in staat is. Is dit niet het geval, dan eet en drinkt zij in de kleine hoeveelheden, en met de tussenpozen, hierboven beschreven.
De hagomeel-beraga
Een vrouw die bevallen is, dient G’d te danken voor de bescherming van haarzelf en haar kind. In sommige gemeenschappen spreekt de vrouw de hagomeel-beraga uit in aanwezigheid van tien mannelijke familieleden, of vanuit de vrouwenafdeling van de synagoge, binnen gehoorsafstand van tien mannen. In andere gemeenschappen is de eerste gang naar de synagoge na de bevalling het ogenblik waarop de moeder, bij het horen van Barechoe, antwoordt met “Baroeg Ado-naj hamevorag le’olam wa’ed” — met de gedachte daarbij dat zij G’d dankt voor Zijn bescherming.
De briet mila
De briet mila is de Joodse besnijdenisplechtigheid voor pasgeboren jongetjes. Het ritueel vindt plaats op de achtste levensdag, en wordt verricht door een deskundige moheel, de rituele besnijder. Het is een vreugdevolle viering, die de toetreding markeert van weer een Joodse jongen tot het verbond van Awraham.
G’d gebood het Joodse volk (Wajikra/Leviticus 12:2): “Op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden.” Deze handeling markeert de voltooiing van het lichaam, en leert ons dat onze geestelijke, gevoelsmatige, morele en ethische volmaaktheid menselijke inspanning vergt.
Vele verbintenissen in het leven eindigen; maar de briet, de rituele besnijdenis, verzinnebeeldt ons eeuwig durend verbond met G’d, in ons vlees gegrift, dat nimmer zal eindigen of vergeten worden.
De briet wordt verricht op de achtste dag na de geboorte, op enig ogenblik tussen zonsopgang en zonsondergang. Stellen gezondheidscomplicaties de besnijdenis uit, dan verricht men haar onmiddellijk zodra vaststaat dat het kind bestendig gezond is. Van oudsher verdient het de voorkeur de besnijdenis in de synagoge te verrichten, na het ochtendgebed.
De boodschappers — kwatters. De moeder brengt de baby naar de plaats van de besnijdenis. Een daartoe aangewezen vrouw en man dienen als boodschappers, kwatters geheten, om de baby uit de armen van de moeder naar de plaats van de besnijdenis te dragen. De moeder geeft haar baby aan de vrouwelijke kwatter, die hem doorgeeft aan de mannelijke kwatter. Deze draagt het kind, gehuld in zijn tallit, naar de plaats van de besnijdenis. Is de besnijdenis voltooid, dan brengen de kwatters de baby op dezelfde wijze terug naar zijn moeder.
De stoel van Elijahoe. Bij elke briet wordt een stoel bestemd voor Elijaho, de “Engel van het Verbond.” Vele synagogen bezitten hiertoe een bijzonder versierde stoel. Een van de aanwezigen krijgt de eer de baby op de stoel van Elijaho neer te leggen, terwijl de moheel zegt: “Dit is de zetel van Elijaho.” Hij vraagt tevens dat Elijaho aan zijn rechterzijde moge staan, en hem tijdens de besnijdenis beschermen.
De sandek. Een van de deelnemers aan de briet krijgt de eer de baby van de stoel van Elijaho op te heffen en hem aan de vader te geven. De vader legt de baby op de schoot van de sandek, zijn gemachtigde, die de baby tijdens de besnijdenis vasthoudt. Is de sandek gaan zitten, dan worden zijn handen met alcohol ontsmet. De moheel wijst hem aan hoe te zitten, en draagt hem op zich niet te bewegen.
De eigenlijke briet mila. De vader staat naast de moheel. Hij neemt het chirurgisch mes op, en geeft het aan de moheel, terwijl hij verklaart hem tot zijn gemachtigde aan te stellen. Het mes is uitermate scherp en tweesnijdend, opdat zo weinig mogelijk pijn veroorzaakt wordt.
De moheel spreekt de beraga uit:
בָּרוּךְ אַתָּה ה’ אֱ-לֹהֵינוּ מֶלֶךְ הָעוֹלָם אֲשֶׁר קִדְּשָׁנוּ בְּמִצְוֹתָיו וְצִוָּנוּ עַל הַמִּילָה
Baroeg Atta Ado-naj Ello-heenoe Mèleg ha’olam a’sjer kide’sjanoe bemits’wotav we’tsiwanoe al hamiela.
“Moge U — Heer, onze G’d, Koning van de wereld — naderbij gebracht worden, doordat wij erkennen dat U het bent Die ons heeft geheiligd door Zijn geboden, en ons heeft opgedragen de besnijdenis te verrichten.”
Daarna vangt hij aan met de besnijdenis.
De vader spreekt de beraga uit:
בָּרוּךְ אַתָּה ה’ אֱ-לֹהֵינוּ מֶלֶךְ הָעוֹלָם אֲשֶׁר קִדְּשָׁנוּ בְּמִצְוֹתָיו וְצִוָּנוּ לְהַכְנִיסוֹ בִּבְרִיתוֹ שֶׁל אַבְרָהָם אָבִינוּ
Baroeg Atta Ado-naj Ello-heenoe Mèleg ha’olam a’sjer kide’sjanoe bemits’wotav we’tsiwanoe lehagniesso bivrieto sjel Awraham awienoe.
“Moge U — Heer, onze G’d, Koning van de wereld — naderbij gebracht worden, doordat wij erkennen dat U het bent Die ons heeft geheiligd door Zijn geboden, en ons heeft opgedragen hem binnen te brengen in het verbond van Awraham, onze vader.”
De aanwezigen antwoorden:
“Zoals hij het verbond is binnengegaan, zo moge hij ook binnentreden in de Tora, in het huwelijk, en in goede daden.”
Het benoemen van het kind. Er is een tweede sandek, de “staande sandek,” die de baby vasthoudt, terwijl de moheel de zegeningen uitspreekt en het kind zijn naam geeft. De zegeningen worden uitgesproken boven een beker wijn. Tweemaal tijdens de naamgeving doopt de moheel zijn pink in de wijn en brengt kleine druppels aan bij de mond van de baby.
De feestelijke maaltijd. Na de briet neemt de gemeenschap deel aan een feestelijke maaltijd. Het is traditie dat ieder die deelneemt zijn handen wast en brood eet. De maaltijd mag bestaan uit vlees, vis of zuivel, en steeds wordt er wijn geschonken. Tijdens de maaltijd is het gebruikelijk tsedaka te geven en liederen te zingen. De vader houdt een korte toespraak over de betekenis van de besnijdenis. Ten slotte wordt het birkat hamazon, het dankgebed na de maaltijd, uitgesproken of gezongen, met inbegrip van zes zegeningen die speciaal voor de briet zijn ingesteld, met goede wensen voor de baby, de ouders, de sandek en de moheel.
De naamgeving
Wanneer wordt de baby vernoemd?
Een jongen wordt doorgaans vernoemd tijdens de briet mila. Is het kind ziek, en kan het niet op de achtste dag besneden worden, dan mag de naamgeving eerder plaatsvinden; raadpleeg hiervoor een rabbijn.
Een meisje wordt doorgaans vernoemd tijdens een kort gebed bij de Tora-lezing. Waar mogelijk, wordt de vader opgeroepen voor een alija, en na afloop spreekt de gabbai een gebed uit voor het welzijn van de moeder, gevolgd door een gebed met de naam van het pasgeboren dochtertje. De Tora wordt meermalen per week gelezen: op maandag, donderdag, tweemaal op Sjabbat, en op bijzondere dagen zoals Rosj Chodesj. Sommigen wachten met opzet tot de Sjabbat-ochtendlezing.
Wie kiest de naam?
De keuze van de naam komt uitsluitend de ouders toe; niemand, ook grootouders niet, behoort zich hierin te mengen.
Kunnen de ouders het niet eens worden over een naam, dan wisselen sommige gemeenschappen af, wie de naam kiest. Het voornaamste is toch dat hierover geen twist ontstaat: onenigheid tussen de ouders kan het kind geestelijk schaden. Komen de ouders er werkelijk niet uit, dan raadplege men een rabbijn en aanvaarde men gezamenlijk zijn raad.
Vernoemen naar overledenen
De Midrasj vertelt dat het heden ten dage gebruikelijk is kinderen naar voorouders te vernoemen, opdat zij hun afstamming niet vergeten. Wie zijn kind naar een ouder vernoemt, vervult daarmee tevens de mitswa van het eren van vader en moeder.
Onder Sefardische Joden geldt het als een grote eer, tijdens iemands leven een kleinkind naar hem te vernoemen. Asjkenazische Joden vermijden het vernoemen naar nog levende personen.
Vernoemen naar tsaddikiem
De Midrasj leert ons een kind naar een rechtvaardige te vernoemen, omdat de naam soms de aard en het lot van een mens beïnvloedt. De mystici leggen uit dat de daden van een rechtvaardige alle dragers van zijn naam beïnvloeden. Omgekeerd behoort men een kind niet te vernoemen naar iemand die slecht was, zoals de Tora zegt: “De naam der goddelozen zal vergaan.”
Vernoemen op basis van de kalender
Sommige ouders kiezen een naam naar aanleiding van het wekelijkse Tora-gedeelte. Wordt het kind bijvoorbeeld geboren in de weken waarin men de sidra Sjemot leest, dan kunnen zij kiezen voor namen als Mosje, Aharon, Mirjam of Jocheved.
Vernoemen naar iemand die jong gestorven is
Het gebruik is een kind niet te vernoemen naar iemand die op jonge leeftijd op tragische wijze gestorven is. Wil men dat toch doen, dan kan men de naam enigszins wijzigen, of een tweede voornaam toevoegen. Is iemand echter omgekomen al kiddoesj Hasjeem — zoals slachtoffers van de Holocaust of van een terroristische aanslag — dan is het juist een grote verdienste een kind naar hem te vernoemen.
Van harte Mazzeltov!
Vrij vertaald van Chabad.org , chabad.org en chabad.org
Heeft u vragen of wilt u meer weten over een bijzonder levensmoment? Wij helpen u graag verder!
Praktische hulp
Heeft u vragen of wilt u meer weten? Wij helpen u graag verder.